|
| Redactioneel 22 augustus 2010 |
Viering zonder priester
In deze en de komende edities van Omhoog zullen we in ‘Redactioneel’ aandacht besteden aan een document dat in 1988 door de Congregatie voor de Eredienst in uitgegeven en ingaat op de situatie waarbij gelovigen de zondagsviering moeten houden zonder een priester aanwezig. Dit document kan voor ons in deze tijd van groot belang zijn.
Als kerk van Christus komen wij, de geloofsgemeenschap, trouw bijeen om het paasmysterie te vieren. Dit doen wij al sedert Pinksteren, na de nederdaling van de heilige Geest. Wij komen samen op de zondag, die omwille van de verrijzenis van de Heer, de ‘dag des Heren’ wordt genoemd. Tijdens die bijeenkomsten lezen wij uit de heilige Schrift alles wat op Christus betrekking heeft. Wij vieren de eucharistie als gedachtenis aan de dood en de verrijzenis van de Heer, totdat Hij wederkomt. Er zijn echter vele christenen voor wie het niet mogelijk is aan de viering van de eucharistie deel te nemen, omdat de gewijde dienaar (de priester) ontbreekt. In het verleden hebben bisschoppen op vele plaatsen de taak aan catechisten toevertrouwd om op de zondag de gelovigen bijeen te brengen. Deze catechisten leiden dan de gelovigen in hun gebed. Dit was vooral het geval in plaatsen waar het aantal christenen sterk was toegenomen en zij verspreid woonden over soms ver uit elkaar gelegen plaatsen. Hierdoor kon niet elke zondag een priester naar hen toe gaan voor de viering van de eucharistie. Ook waren er situaties waarbij het de gelovigen niet was toegestaan om op de zondag een bijeenkomst te houden, vanwege vervolging van de christenen of andere strenge beperkingen van de godsdienstvrijheid. Er zijn toen vele christenen geweest die ondanks dat toch trouw zijn gebleven aan de zondagse bijeenkomst, en enkelen hebben daar zelfs met hun leven voor moeten betalen. Tegewoordig zijn er andere redenen waarom op vele plaatsen niet iedere parochie op elke zondag de eucharistie kan vieren. Het aantal priesters is namelijk sterk teruggelopen. In bepaalde gevallen zijn parochies ontvolkt geraakt vanwege sociale of economische factoren. Hierdoor hebben vele priesters de taak om op een zondag meerdere keren de eucharistie te vieren in verschillende kerken. Deze praktijk werkt echter niet altijd gelukkig: niet voor de parochies zonder eigen pastoor en ook niet voor de priester zelf. Deze situatie heeft de kerk op verschillende plaatsen gedwongen om te zorgen voor andersoortige zondagsvieringen, om toch zo goed mogelijk te kunnen voorzien in de behoefte van de wekelijkse bijeenkomst van de christenen. En natuurlijk om te zorgen dat de traditie van de dag des Heren bewaard blijft. Op sommige plaatsen is door de bisschoppen zelf hiertoe het besluit genomen, maar op veel plaatsen zijn het ook de gelovigen zelf geweest die uit eigen beweging samen komen op de zondag, om met behulp van catechisten en/of religieuzen het woord van God te beluisteren, om te bidden, en soms ook om de heilige communie te ontvangen. De Congregatie voor de Eredienst – een van de departementen van het kerkelijk gezag in Rome – heeft deze ontwikkelingen goed gevolgd en overwogen. Ingaand op de wensen van bisschoppenconferenties is deze Congregatie daarom uitgekomen met een ‘directorium’ (stelsel van richtlijnen) voor het houden van vieringen zonder de aanwezigheid van een priester. Hierin worden verschillende elementen van de leer over de dag des Heren in herinnering geroepen. Ook wordt aangegeven onder welke voorwaarden dergelijke vieringen in sommige bisdommen rechtmatig zijn, en hoe ervoor te zorgen dat die vieringen op een goede manier verlopen. De bisschoppenconferenties kunnen zelf de normen nader definiëren op basis van de aard van hun geloofsgemeenschap en andere omstandigheden van de lokale kerk.
|
Gezegend zijt gij onder de vrouwen
|
Mariaverering in de kerk
Uit het evangelieverhaal van Johannes leren we dat Maria de moeder van Jezus is (Joh. 2,1). Haar nicht Elisabeth noemt haar ‘de moeder van mijn Heer (Lc. 1,43). De katholieke kerk belijdt sinds het Concilie van Efese (431) dat Maria ‘Theotokos’ is: de Moeder Gods. Maria was voorbestemd om Jezus, God de Zoon te baren – zij heeft er zich geheel aan toegewijd, toen zij sprak: “Ik ben de dienstmaagd des Heren.” Het is goed hierbij stil te staan. Maria heeft God niet als God gebaard. Het evangelie van Lucas wijst Maria aan als Moeder van Gods Zoon (Lc. 1,35). Na de Tenhemelopneming van Maria wordt Maria vereerd als voorspreekster en middelares.
Maria is een voorbeeld voor de kerk. Christenen drukken het vertrouwen in haar uit op verschillende manieren, zoals het Wees Gegroet. De verering van Maria, Moeder Gods, is daadwerkelijk anders dan de liturgie van de drie–ene God.
In de RK en in de Oosters–Orthodoxe kerken speelt Maria een belangrijke rol in het geloofsleven. Er is binnen de theologie zelfs een complete discipline die zich speciaal op haar richt: de mariologie.
Mariologie Mariologie is de leer aangaande de maagd Maria, de moeder van Jezus. Twee dogma’s uit de oudheid worden in de Katholieke Kerk en de Oosterse Orthodoxie beleden:
1. Door de Maagdelijke geboorte schonk Maria het leven aan Christus. Maria is maagd, voor, tijdens en na de geboorte van Christus.
2. Maria, Moeder van God (Theotokos). In wezen is dit een christologische uitspraak: Maria is moeder van Jezus, die zowel volledig mens als volledig God is (de twee–naturenleer).
In de moderne tijd werden in de Rooms–Katholieke Kerk twee dogma’s, die reeds eeuwen bestanddeel van de katholieke geloofspraktijk waren, formeel bevestigd:
3. Paus Pius IX kondigde in 1854 het dogma van de Onbevlekte Ontvangenis af. Met dit laatste wordt bedoeld dat Maria zonder erfzonde is geboren; 4. Paus Pius XII voegde in 1950 aan de reeds bestaande dogma’s toe dat Maria in de hemel was opgenomen (Maria Tenhemelopneming).
Sommige gelovigen vragen ook de afkondiging door de Kerk van het vijfde en laatste mariale dogma, dat van Medeverlosseres, Middelares en Voorspreekster. Paus Johannes Paulus II sprak herhaalde malen over Maria als Medeverlosseres.
Maria in de kerk Maria wordt op verschillende manier in de kerk vereerd. Vormen van Mariaverering zijn Mariafeesten, Mariagebeden en Maria–bedevaarten. Verschillende liturgische feesten en hoogfeesten worden ter ere van haar gevierd.
Mariafeesten Door het kerkelijk jaar heen wordt het leven van Maria herdacht: in de adventstijd wordt het begin van het leven van Maria en Jezus herdacht tot aan de veertigdagentijd het lijden. Een kort overzicht van enkele bekende Mariafeesten:
8 december: Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria. Zondag onder het Kerstoctaaf: feest van de Heilige Familie
1 januari: Maria, Moeder Gods
2 februari: Opdracht van de Heer in de tempel (Maria Lichtmis)
11 februari: Onze Lieve Vrouw van Lourdes 25 maart: Aankondiging van de Heer (Maria Boodschap)
15 juni: Onbevlekt Hart van Maria (Onze Lieve Vrouw van Fatima) Augustus: Mariamaand
15 augustus: O.L.V. Tenhemelopneming (Maria Hemelvaart)
22 augustus Maria, Koningin
8 september: Maria Geboorte
15 september: O.L.V. van Smarten Oktober: maand van de rozenkrans
Maria, Koningin In het verlengde van Maria Hemelvaart vieren wij de gedachtenis van Maria, Koningin van het heelal (ook wel: Koningin van de wereld) op 22 augustus. In de loop van de tijd werd Maria beschouwd als koningen van de engelen en heiligen, als eerste van hen. Paus Pius XII voerde in het Mariajaar 1953–1954 deze gedachtenis in.
Virtuele verering Tegenwoordig kan men ook via het internet Maria vereren. De website www.katholieknederland.nl biedt bezoekers de mogelijkheid om via het net een kaarsje te branden bij Maria (“Virtuele kapel”) of om via de computer de rozenkrans te bidden (“Virtuele rozenkrans”). Hiervoor gaat u naar de website en op de homepage klikt u rechtsboven op de tab “Katholicisme”. In de pagina die dan verschijnt klikt u op lijstje rechts op het onderdeel “Maria”, en daarna maakt u een keuze of u een kaars wilt branden of de rozenkrans wil bidden.
|
zo 22 Eén en twintigste zondag door het Jaar do 26 Officiële oprichting statie Tamarin – 95 jr.
|
 |
| Gebedsintenties van de Paus |
Gebedsintenties voor augustus: Dat de werkelozen, de daklozen en allen die in grote nood verkeren begrip en erkenning mogen ondervinden en op concrete wijze hulp mogen verkrijgen om hun problemen op te lossen.
Dat de Kerk een ‘thuis’ moge zijn voor alle mensen en bereid is om haar poorten te openen voor al degenen die vanwege discriminatie op grond van ras of godsdienst of vanwege honger en oorlog gedwongen worden om naar andere landen te emigreren.
|
|
| Prijzenswaardig initiatief autokeuringsbedrijf |
|
Via Omhoog kwam ik te weten gekomen, dat een gerenommeerd autokeuringsbedrijf besloten heeft om bij de aanbieding van een auto ter keuring een bepaald bedrag te storten in het fonds van de Bisschop. Voorwaar, een zeer prijzenswaardig initiatief, dat zeker navolging verdient. De aankondiging van Cordaid als een van de donoren van ons Bisdom, dat de geldkraan voor altijd dichtgedraaid zal worden, maakt dat het Bisdom vanaf nu alle legale wegen zal moeten bewandelen om niet permanent op zwart zaad te zitten. Vroeg of laat zou het moment aanbreken, dat landgenoten, die met de mond het koloniale elke dag zogenaamd afzweren, zouden moeten tonen met daden, voortgesproten uit eigen inspanning, dat onze onafhankelijkheid geen modeverschijnsel is.
Zolang wij als kondreman, al onze zorgen van de kerk afwentelen op bijv. Nederland, concludeer ik, dat ‘srefidensi’ een losse kreet is. Mogelijk is de geringe interesse van geloofsgenoten, om daadwerkelijk bij te dragen aan de voortgang van onze kerk met haar uiteenlopende sociale verplichtingen, te wijten aan de kerk zelf, die altijd succesvol de rol van de grote Sint in de achter ons liggende jaren had vervuld. Ik kan mij niet herinneren, dat in de periode van het Rijke Roomse Rijk ooit inzicht gegeven werd in de besteding van bijvoorbeeld collectegelden. Een houding, die helaas nog in vele kerken te zien is. De centencultuur in de collectebus is hierdoor met de jaren gegroeid. In de geest zie ik nog altijd mijn diepgelovige grootvader, die op zaterdagmiddag al zijn kleinkinderen (alleen jongens) pontificaal bij elkaar riep om met naam en toenaam een cent, bestemd voor de kerk te geven. Dat ceremonieel ging ook gepaard met een ernstige waarschuwing om het geld (hij sprak van geld en niet van centen) niet te verliezen. Helaas volharden veel kerkgangers in die traditie om enkele luttele centen in de collectemand te deponeren. Wanneer diezelfde personen naar het NIS of naar één of andere party gaan, kan je soms op grote afstanden het geschreeuw van de vele SRD’s horen, terwijl de roep van centen, kwartjes, dubbeltjes op grotere afstanden te horen is. “Frits”, zegt vrouwtje lief, “vergeet niet om je geld mee te nemen voor die party”, terwijl deze zelfde madame haar echtgenoot op het hart drukt om de centen van de kerk apart te zetten.
Terugkomend op de suggestie van het autokeuringsbedrijf stel ik ter verlichting van de zorg van ons Bisdom, dat u en ik, elke keer als de collectebus of –mand langs komt, minimaal één SRD (let wel minimaal) een sprong laat maken in die verzamelplaats. Mogelijk zullen er ook andere bedrijven zijn, die in navolging van genoemde instelling ook zo willen helpen te voorkomen, dat de witte haren van onze Bisschop helemaal overwoekerd worden door het glimmende grijs.
Geloofsgenoten, als u en ik met volle inzet trachten de centencultuur definitief te laten verdwijnen uit onze kerkcollecte, dan zal mijn grootvader zeker zeggen, dat hij ongewild zijn kleinkinderen en zijn kerk tekort deed. Zullen we afspreken dat voortaan alle muntjes, waarvoor niemand iets zinnigs kan kopen, hartelijk danken voor de vroeger bewezen diensten aan kerk en Vaderland.
E. Wijntuin
|
Maandag 23 augustus 2 Tess. 1, 1-12 Mt. 23, 13-22
|
 |
Dinsdag 24 augustus H. Bartolomeüs, apostel Apok. 21, 9b-14 Joh. 1, 45-51
|
|
Woensdag 25 augustus 2 Tess. 3, 6-18 Mt. 23, 27-32
|
|
Donderdag 26 augustus 1 Kor. 1, 1-9 Mt. 24, 42-51
|
|
Vrijdag 27 augustus H. Monica 1 Kor. 1, 17-25 Mt. 25, 1-13
|
|
Zaterdag 28 augustus H. Augustinus, bisschop en kerkleraar 1 Kor. 1, 26-31 Mt. 25, 14-30
|
|
Zondag 29 augustus Twee en twintigste zondag door het Jaar Sir. 3, 17-18 + 20 + 28-29 Heb. 12, 18-19 + 22-24a Lc. 14, 1+7 - 14
|
|
Lezing Uit het boek Jesaja 66, 18-21
Maar Ik kom om alle volken en talen te verzamelen; zij zullen komen en mijn glorie zien. Ik geef hun een teken, en hun overlevenden zend Ik naar de volken, naar Tarsis, Put, Lud, Mesek, Ros, Tubal en Jawan, naar de verre eilanden, die mijn roem nog niet hebben gehoord en mijn heerlijkheid nog niet hebben gezien; zij zullen mijn heerlijkheid onder de volken verkondigen. Dan brengen zij al uw broeders uit de volken mee, als een offer voor de HEER, op paarden, wagens, huifkarren, muildieren en draagstoelen, naar mijn heilige berg Jeruzalem, zoals Israëls zonen in reine vaten hun gaven naar het huis van de HEER brengen’, zegt de HEER.’En ook uit hen zal Ik priesters en Levieten kiezen’, zegt de HEER.
|
 |
Lezing Uit de brief aan de Hebreeën 12, 5-7 + 11-13
Bent u het schriftwoord al vergeten dat u als kinderen aanspreekt en u bemoedigt: Kind, minacht de terechtwijzing van de Heer niet, laat je door zijn straf niet ontmoedigen. Want de Heer wijst hen terecht die Hij liefheeft, Hij straft ieder die Hij als zijn kind erkent. U moet het verdragen, het draagt bij tot uw opvoeding; God behandelt u als kinderen. Ieder kind wordt wel eens door zijn vader gestraft. Tucht is nooit prettig, op het moment zelf is er meer verdriet dan blijdschap; maar op lange termijn levert ze voor degenen die zich door haar lieten vormen, de vrucht op van vrede en gerechtigheid. Daarom, hef de slappe handen op, strek de wankele knieën, laat uw voeten rechte wegen gaan; het kreupele lichaamsdeel mag niet ontwricht worden, maar moet genezen. |
|
Lezing Uit het evangelie volgens Lucas 13, 22-30 (C)
Hij trok verder door steden en dorpen, waar Hij onderricht gaf, onderweg naar Jeruzalem. Iemand vroeg Hem: `Heer, zijn het er maar weinig die gered worden?’ Hij zei tegen de mensen: ‘Doe wat u kunt om door de nauwe deur binnen te komen, want Ik verzeker u, velen zullen proberen binnen te komen, maar er niet in slagen. Vanaf het moment dat de heer des huizes is opgestaan en de deur heeft afgesloten, zult u buiten moeten blijven. U zult op de deur gaan bonzen en roepen: “Heer, doe open”’, en Hij zal u antwoorden: “Ik ken u niet. Waar komt u vandaan?” Dan zult u zeggen: “We hebben met U gegeten en gedronken, en in onze straten hebt U onderricht gegeven.” En Hij zal tegen u zeggen: “Ik ken u niet. Waar komt u vandaan? Ga weg allemaal, bedrijvers van onrecht die u bent!” Dat zal een gejammer zijn en een tandengeknars, als u Abraham en Isaak en Jakob en alle profeten in het koninkrijk van God zult zien, terwijl u eruit gegooid wordt. Dan zullen ze komen van oost en west, van noord en zuid, en aan tafel gaan in het koninkrijk van God. Let op, laatsten zullen eersten zijn, en eersten zullen laatsten zijn.’ |
|
|
Doe wat u kunt om door de nauwe deur binnen te komen
In het evangelie volgens Lucas is de tocht naar de stad Jeruzalem een belangrijke leidraad. Het gaat om de weg die naar de stad leidt waar de uiteindelijke ontknoping van het evangelie zal plaatsvinden. Het is niet alleen een reis vol bedreigingen. Lucas beschrijft de weg die Jezus met zijn leerlingen gaat, ook als een vreugdevol gebeuren. Deze tocht vindt zijn aansluiting bij de uitbundige vreugde van het volk Israël dat na de bevrijding uit de ballingschap terugkeert naar Jeruzalem. In de tekst van Jesaja, de eerste lezing, wordt beschreven dat alle volkeren worden uitgenodigd zich aan te sluiten bij de feestelijke tocht naar het geliefde land Israël: ‘Ik ga alle volkeren en talen bijeenroepen en zij zullen komen en mijn glorie aanschouwen” (Jes. 66,18). Met trots wordt de stad beschreven als het centrum van de aarde, daar waar de God van Israël woont en waakt over zijn volk. Jesaja gaat nog een stap verder: ook uit de heidenvolkeren zal God zijn priesters en levieten kiezen. Ook deze volkeren zullen aan God toegewijd worden. Hiermee doorbreekt Jesaja het zogenaamde ‘alleenrecht’ van zijn volk op de bijzondere verbintenis met God.
Lucas sluit hierbij aan met het woord van Jezus aan het slot van de evangelietekst van deze zondag. ‘Ze zullen komen uit het oosten en het westen, uit het noorden en het zuiden, en zij zullen aanzitten in het koninkrijk Gods’ (Lc. 13,29). In de voorafgaande verzen wordt echter duidelijk dat dit niet zomaar gebeurt. Wanneer de leerlingen de vraag stellen of het er weinigen zijn, die gered zullen worden, is het antwoord van Jezus nogal mysterieus. Daar gaat het over de nauwe poort en de inspanningen die gevraagd worden om binnen te komen. De nauwe poort is een beeld van de beproevingen die alle volgelingen te wachten staan. Wie zich aansluit op de weg, zal ervaren dat er heel wat van haar of hem wordt gevraagd. Wat gevraagd wordt, is al meer dan eens in de voorafgaande hoofdstukken van Lucas duidelijk geworden; je bezit delen met de armen, afzien van elke vorm van geweld, de ander zien en beleven als je naaste, gelijkwaardig, even eerbiedwaardig.
De reacties van Jezus is hard aan het adres van degenen die aan de kant staan en zich niet echt verbinden met degenen die de weg gaan. Mensen die beweren dat zij Jezus toch hebben gezien, zelfs om Hem feest gevierd hebben, maar daar verder geen consequenties aan hebben verbonden, worden hard afgewezen. Lucas reageert met deze woorden van Jezus tegen elke vorm van eigendunk van christenen die zich in de gemeente voordoen als vrome volgelingen, terwijl ze zich op geen enkele wijze engageren met de opdracht van de gemeente dienstbaar te zijn. Deze mensen vertonen nogal eens hautain gedrag: ze kijken neer op de anderen die zich wel inspannen om er samen iets van te maken. Deze mensen horen er niet bij, ze mogen eigenlijk niet binnenkomen, zegt Lucas in de woorden van Jezus.
Je wordt niet in één kort ogenblik christen. Je wordt lid van de gemeenschap via een lange weg van loutering en beproeving. Abraham, Isaak, Jakob en alle profeten worden aangehaald als voorbeeld van mensen die de loutering van het leven hebben ervaren en zo waarachtige getuigen van de ene geworden zijn. Zo is Abraham keer op keer beproefd om als gelouterd mens vader te worden van heel het volk. Lucas spreekt met de harde waarschuwing van Jezus niet alleen de christenen uit de Joden aan. Ook degenen die afkomstig zijn uit andere volkeren, kunnen zich hautain en met grote eigendunk gedragen. Ook zij moeten weten dat dit niet de ingang is naar een goed lidmaatschap van de christengemeente. De weg van christenen is soms verrassend: degenen die denken dat ze de eersten zijn, zullen de laatsten worden, en degenen die van zichzelf weten dat ze achteraan komen, zullen naar voren geplaatst worden. En uiteindelijk zal het een feestelijke ervaring zijn binnen te mogen komen. Zo zullen allen die de weg ten einde gaan, het feestlied meezingen van alle volkeren die optrekken naar Jeruzalem.
|
 |
|

|
Liturgische catechese: De schuldbelijdenis
We zijn nog steeds bezig met de openingsritus van de eucharistieviering, waarin de schuldbelijdenis ook een heel bepaalde plaats en functie heeft. De functie moet vooral gezien worden in het licht van verwelkoming en de opening van de viering. De voorganger heeft hier een keuzevrijheid en kan uit verschillende formules kiezen. In vieringen met kinderen zal men uiteraard een schuldbelijdenis kiezen die afgestemd is op kinderen. Er zijn zoveel verschillende schuldbelijdenissen en soms kun je de vraag stellen of ze nog wel rooms–katholiek zijn. De klassieke opvatting van de kerk is dat de mens door God goed geschapen is maar dat hij door de erfzonde afwijkt van het goede; desalniettemin blijft de mens goed en komt hij door het doopsel opnieuw in een staat van genade. In de protestantse traditie, en dit komt het meest tot uiting in de wijze waarop men bijvoorbeeld in de volle–evangeliekerken bidt, gaat men er van uit dat de mens door en door slecht en dat hij tot niets goeds in staat is. Het verschil tussen de katholieke en protestante opvatting over zonden en vergeving wordt het best uitgedrukt in het beeld van de ‘kattenmoraal’ en een ‘apenmoraal’. Een moeder kat neemt haar jong in de nek en sleept het naar veiligheid. De jonge kat hoeft helemaal niets te doen en bungelt maar hulpeloos terwijl het in veiligheid wordt gebracht. Bij de ‘apenmoraal’ houdt de jonge baby aap zich krachtig vast aan de nek van zijn moeder die dan van boom tot boom slingert om haar jong in veiligheid te brengen. Dat laatste komt meer in overeenstemming van de katholieke opvatting van zonde en manier waarop wij gered worden. Wij worden door God gered maar we moeten actief daarin participeren door tenminste ons aan hem vast te klampen. Het is dus niet de bedoeling van de rite van de schuldbelijdenis dat we elkaar de zonde nog eens extra onder de neus wrijven en instampen. Schuldbelijdenissen die dat doen gaan voorbij aan de bedoelingen van deze rite. Allereerst is het tegen de psychologische bedoeling: je komt de kerk binnen en je wilt rond de Heer bijeenkomen en onmiddellijk slaat iemand je al om de oren. De schuldbelijdenis is geen biecht of boeteviering. Het accent ligt niet op de zonde van de mens maar op de oneindige barmhartigheid van God. Dit is ook de reden dat men bij een huwelijksviering deze openingsritus mag vereenvoudigen of zelfs weglaten. Schuldbelijdenissen mogen niet moraliserend zijn omdat het ook tegen de bedoeling van het evangelie gaat. We bekeren ons niet door een schuldbewust gezicht te trekken noch door wroeging omdat we het ideaalbeeld dat we van ons zelf hebben, niet hebben gehaald. De verzoening wordt gebracht door het Woord van God, door het luisteren en het verwijlen bij Hem. Gods Woord toont me mijn zonden en tegelijkertijd zie je hier al het sacrament van verzoening oplichten. Het gaat hier dus minder om een gewetensonderzoek dan om een globaal bewust worden van onze situatie voor God die liefde is, de Heilige, de geheel Andere! Het gaat om onze nood aan verlossing. We zijn een volk van zondaars die gered zijn. De schuldbelijdenis heeft een belangrijke pastorale betekenis maar we mogen niet overdrijven. Na de schuldbelijdenis komt het ‘Kyrie eleison’, een gezang dat een acclamatie is van de gelovigen die zich tot God wenden en zijn barmhartigheid afsmeken. De Griekse uitdrukking betekent: “Heer (de verrezen Christus), ontferm U.” We kunnen ons haast niet voorstellen hoe rijk God is aan mededogen en ontferming. De ritus probeert dus precies dat te doen dat de mens zich bewust wordt van de eeuwige en oneindige goddelijke barmhartigheid. Het erkennen van eigen onvolkomenheden is een begin van verandering in ons leven. Het belijden van schuldigheid maakt ons geschikt om de heilige geheimen te vieren, om vergeving te aanvaarden en in Christus tot levensvernieuwing te komen.
|
| Priester in deze tijd..... |
|
Door: P. Tjon Kiem Sang
Afgelopen woensdag 04 augustus was het precies 25 jaar geleden dat pater Karel Choennie tot priester voor ons bisdom werd gewijd. In een speciale viering op woensdag heeft Karel deze bijzondere mijlpaal dan ook gevierd samen met zijn priestercollega’s en een volle kerk gelovigen. Bij zijn wijding in 1985 verscheen er een artikel speciaal toegewijd aan het priesterschap in onze tijd. De inhoud van dit artikel is vandaag, 25 jaar later, nog heel actueel, vooral als we letten op de huidige situatie m.b.t. het priesterbestand in ons bisdom.
Leken naast priesters De uitdaging van steeds minder priesters in ons midden wordt al geruime tijd beantwoord vanuit de geloofsgemeenschap zelf met een steeds groeiend aantal leken dat zich inzet voor de kerk en heel veel taken van de priester overneemt. Hoewel dit een heel goede ontwikkeling is binnen onze kerkgemeenschap is het helaas geen oplossing voor het tekort aan priesters. Priesters zijn en blijven een onderdeel van onze kerk, waar het gewijde ambt – een van de zeven sacramenten – een heel eigen plaats heeft. De noodzaak van meer priesters wordt daarom des te dringender voor de komende jaren wanneer meerdere priesters hun actieve pastoraat zullen moeten inperken of stoppen, gewoon vanwege de leeftijd.
Eigen roepingen Op de een of andere manier zullen wij moeten voorzien in priesters voor ons bisdom. De mogelijkheid van priesters uit het buitenland is een optie. In de afgelopen jaren is dit ook gebeurd met de komst van de paters Redemptoristen uit Brazilië, waaronder de paters Dennis, Vergilio, Brendan en Ronaldo; pater Romanus uit Nigeria; en zeer recentelijk pater Alfons Baak uit Curaçao. Priesters uit het buitenland die graag hun roeping beantwoorden door in ons land te werken zijn natuurlijk zeer welkom. Maar uiteindelijk zal de toekomst van onze kerk toch liggen in de mate waarop wij in het priesterbestand kunnen voorzien met wijdingen van eigen bodem. En om wijdingen te hebben zullen we roepingen tot het priesterschap serieus moeten opwekken en cultiveren.
Bewuste keuze Het priesterschap als keuze voor het leven moet jongemannen van onze tijd aanspreken op een manier dat hen bewust ervoor doet kiezen. Een van de zaken die daarbij een rol speelt is de identiteit van de priester zelf. Wat betekent het om heden ten dage priester te zijn? Het artikel in de Omhoog van 4 augustus 1985, waar in de inleiding naar verwezen wordt, zegt het volgende over het priester–zijn in onze kerk.
Wat doet de priester? “Veel mensen kijken op de eerste plaats naar wat een priester doet. Ze zien dan een man die zich bezighoudt met verkondiging en catechese, met sacramentenbediening, individueel pastoraal en gemeenschapopbouw. Maar je zou kunnen stellen dat dit taken zijn van alle gelovigen, de gehele gemeenschap. Als je de priester probeert te omschrijven naar wat hij doet, dan kom je terecht bij de sociale werker, de vormingswerker, de jeugdleider en wat al niet. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij een soort taxichauffeur is die de mensen op het laatste nippertje naar de hemelpoort rijdt. Doen of zijn. Niet wat een priester al of niet noodgedwongen allemaal doet, maar wat hij moet zijn.
Profeet, ziener en verteller Een priester moet op de eerste een profeet zijn. Hij moet kunnen ingaan op de fundamentele vragen van het menselijk bestaan. Zich daar niet van afmaken met pasklare antwoorden, maar samen met de mensen een antwoord kunnen zoeken en daarbij richting kunnen geven. Dat veronderstelt dat de priester heel sterk meeleeft met de noden van mens en wereld, met hun vragen en verwachtingen, met hun problemen en toekomstverwachtingen. Het veronderstelt ook dat hij heel sterk doordrongen is van de bijbel, het Woord Gods. De priester moet iets hebben van een ziener. Denk hierbij wat de bijbel zegt over het ‘zien’ van de blinden en de apostelen. Dit bijbelse ‘zien’ moet hij niet alleen bij anderen proberen te bereiken maar allereerst ook bij zichzelf. Hij moet zelf een gelovige leerschool hebben doorgemaakt, en een diepgelovig man zijn geworden. Hij zal hierbij ook zo doordrongen zijn van de bijbel dat hij van daaruit de mensen hun eigen situatie kan laten zien. Daarom moet de priester ook iets hebben van een verteller. Het geloof doorgeven, verduidelijken, zichtbaar maken in woord, niet met geleerde dogmatische betogen of geweldige uiteenzettingen, maar verstaanbaar voor jong en oud. De naam van God, het leven, de dood en de verrijzenis van Jezus moeten door zijn woord telkens weer opgeroepen worden en doorgegeven aan de wereld.
De vakbekwame verbindingsmand De priester is ook een soort verbindingsman. Gelovigen bij elkaar brengen en bemoedigen. Zijn woord zal de gelovigen ook verbinden met God zelf. Daar zal hij telkens nieuwe woorden en nieuwe wegen voor moeten vinden. Het evangelie door hem gebracht zal aanstekelijk moeten kunnen werken. De priester zal ook een vakbekwaam man moeten zijn. Hij zal terzake deskundig moeten zijn om het evangelie goed te kunnen brengen aan de mensen van deze tijd. Verkondiging, catechese, liturgie, maar ook gesprekstechniek en groepsdynamica vragen allemaal een bepaalde bekwaamheid die de priester zeer serieus moet nemen, wil hij vruchtbaar en goed kunnen priester zijn.
Een man Gods Er is zoveel te zeggen over het priester zijn. Je kunt nog noemen man van gebed, man van de Kerk en zovele andere woorden om hem aan te duiden. Iedereen kan zelfs een bepaalde voorkeur hebben en graag zien dat dit of dat aspect van het priester–zijn in de priesters die hij kent de overhand heeft. Behalve persoonlijke voorkeuren en allerlei menselijkheden die maken dat men meer van de ene priester houdt dan van de ander, moeten we toch voor ogen blijven houden hoe alle priesters ergens een man Gods zijn in ons midden. De gemeenschap van gelovigen heeft echter recht op goede priesters. Dat mag echter niet alleen de hoofdpijn zijn van de bisschop of van degenen die de priesteropleidingen verzorgen, ook is het niet alleen een zware plicht voor de kandidaatpriester zelf, maar het moet de zorg zijn van heel de gemeenschap die door gebed en offer zowel de kandidaat als de priester in de gemeenschap moet begeleiden en ondersteunen.”
|
zo 08 Negentiende zondag door het Jaar ma 09 Wereld Inheemsendag Oprichting Petrus Donders stichting wo 11 Oprichting Kennedy stichting do 12 Internationale dag van de jeugd vr 13 Apostolisch Vicariaat toevertrouwd aan de Redemptoristen za 14 Priesterwijding Mgr. Aloysius Zichem – 50 jaar
|
 |
| Frater LAURENTI VERHOEVEN - 50 jaar in Suriname |
Frater Laurenti was nog betrekkelijk jong (27) toen hij op 29 augustus naar Suriname kwam. Hij was in 1950 frater geworden en in 1954 bond hij zich definitief aan de Congregatie. Gedurende de vormingsperiode als religieus was hij actief als ziekenverzorgende en als surveillant tot hij in 1960 werd gevraagd om naar Suriname te gaan. Geen totaal vreemd land voor hem, want hij had er natuurlijk al veel over gehoord van zijn confraters; de Congregatie was als sinds 1902 in Suriname actief. Maar toch; Suriname is niet te vergelijken met Nederland; men begint eigenlijk een nieuw leven.
Frater Laurenti begon hier als jeugdleider op het toenmalige Studieconvict Bonifaas aan de Verl. Gemenelandsweg. Toen dit internaat werd opgeheven kwamen grond en gebouwen ter beschikking van de Kennedystichting voor doe en slechthorende kinderen en ook frater Laurenti maakte die overgang mee. Geen gemakkelijke stap, want hij had geen enkele ervaring met zulke kinderen. De geduldige omgang met deze kinderen, het behartigen van hun ontwikkeling, hun geluk en hun toekomst heeft ongetwijfeld geloof en liefde als basis. Als frater was hij beschikbaar voor elk goed werk. Frater Laurenti ontwikkelde een zodanige inzet dat hij nu ene begrip is geworden als het over slechthorende en dove mensen gaat. Na zijn actieve periode als groepsleider en op een tijdstip dat mensen met pensioen gaan, begon hij met een nieuw werk en wel de nazorg van ex-leerlingen van de Kennedystichting. Met hart en ziel heeft hij daaraan gewerkt tot nu toe. Eveneens is hij beschikbaar voor Special Olympic, voor de gehandicapte kinderen van het S.O.G.K en vele andere zaken wanneer een beroep op hem gedaan werd. Hij heeft ook veel terugontvangen doordat ex-leerlingen ondanks hun handicap een goede positie in de maatschappij konden verwerven. De door hem opgerichte belangenvereniging leidt nu een zelfstandig bestaan; frater Laurenti is adviseur en beschikbaar om de vereniging met raad en daad bij te staan. Voor dit alles ontving hij in 1998 de onderscheiding ‘Ridder in de Ereorde van de Gele Ster’.
Ook binnen de religieuze gemeenschap van de fraters is frater Laurenti behulpzaam en dienstbaar aanwezig. Hij zorgt voor een goede gang van zaken binnen de ververschillende fraterniteiten waar hij woonde. Dit alles doe je niet zomaar. Er is een solide basis. Die basis is de navolging van Jezus Christus, die naar de aarde kwam om als mens met de mensen te leven en te werken. Jezus ging weldoende rond in zijn tijd en op zijn plaats. En zie: doven horen, blinden zien, lammen lopen en het Evangelie wordt verkondigd aan onwetenden. Ook fraters maken dit tot hun ideaal. Dienen verlichten, een opwekkend woord spreken, een helpende hand zijn. Ieder op zijn plaats, in zijn land en met volledige inzet voor de arme en gehandicapte mens. Al vijftig jaar doet frater Laurenti dit en zolang zijn conditie het toelaat nog voor een lange tijd hier in Suriname dat zijn vaderland is geworden.
De fraters CMM in Suriname
|
| Pater Mulder met stille trom vertrokken uit Suriname |
|
Door: E. Wijntuin
Enkele weken voor zijn overlijden bracht ik een bezoek aan pater Van Nimwegen in het Radboud Ziekenhuis. Dankzij de aanwijzingen van een verpleger werd ik vergezeld naar het bed van de gewezen inspecteur van het RKBO. Zonder diens aanwijzing zou ik, eerlijk gezegd, heel lang moeten hebben zoeken voordat ik plaats zou kunnen nemen aan het ziekbed van Nimmie. Gedurende die tijd werd er met hem geen enkel woord gewisseld; zelfs op vragen van mij bleef hij het stilzwijgen bewaren. Na het ziekenhuis te hebben verlaten, begaf ik mij naar de woning van pater Gijsberts om hem verslag te doen en mijn bezorgdheid kenbaar te maken. Ook in Suriname informeerde ik pater Mulder over het bezoek aan zijn confrater Nimwegen, gedurende vele jaren bewoner van de Grote Pastorie aan de Gravenstraat. Herman, aldus Bas Mulder, had heel veel moeite om zijn draai in zijn eigen vaderland te vinden. Bij een eerder bezoek, samen met mijn vrouw, aan het imposante klooster Nebo, moest ik urenlang allerlei klachten aanhoren, allemaal betrekking hebbende op de onhoudbaarheid in zijn nieuwe woonsituatie. Wat zou er bij zijn definitief vertrek uit Suriname in pater Mulder zijn omgegaan, na een verblijf hier van tientallen jaren. Zouden diezelfde woorden over de pijn van Herman hem ook ten deel vallen? Bijna meer dan een mensenleeftijd was pater Mulder, door de unieke wijze waarop het Woord bracht via de televisie, het gezicht van ons Bisdom. Hoge ogen gooide de toen zeer slanke Bas Mulder, toen hij als enige priester, gekleed in sporttenue, deelnam aan de vroegere jaarlijkse tienkilometersnelloop dwars door Paramaribo. Grote indruk maakte hij in de zestiger jaren als criticus, toen bijna alle ambtenaren en leerkrachten de hele samenleving lamlegden uit protest tegen het autocratisch bestuur van premier Pengel. Mulder liet zich in de periode van de militaire dictatuur ook niet onbetuigd, waarbij hij op zijn eigen wijze de schending van democratische en mensenrechten over de hekel haalde. Ik herinner mij, als een van de stakingsleiders van 1969, toen pater Mulder, tot grote ergernis van velen in ons land, toepasselijke bijbelteksten gebruikte om op subtiele wijze solidariteit te betuigen met de stakers. Naast zijn vele activiteiten, verwoord in Omhoog van 20 juni dezes jaars, is het herstel van de kathedraal zijn levenswerk, waarvoor hij samen met enkele andere prominente geloofsgenoten zich voor de volle honderd procent inzette. Op grond van zijn grote verdiensten voor de katholieke samenleving is ons Bisdom moreel verplicht om pater Mulder officieel uit te nodigen aanwezig te zijn bij de inauguratie van zijn kathedraal. Mogelijk zal hij daarna een bloem leggen op het graf van Willy Grünberg, met wie hij jaren intens had samengewerkt.Hopelijk zal Bas Mulder bij het zien en horen van zoveel eer- en dankbetuigingen de beroemde woorden van pater Weidmann zich eigen maken: “Mijn lichaam voor de Surinaamse aarde.”

Mgr S. Kuijpers (links) samen met de toen jeugdige Bas Mulder tijdens de absoute voor wijlen pater Weidmann op 13 september 1962.
|
|
|
|
Maandag 9 augustus H. Benedicta van het Kruis (Edith Stein) Hos. 2, 16b-22 Mt. 25, 1-13 |
 |
Dinsdag 10 augustus H. Laurentius, diaken en martelaar 2 Kor. 9, 6-10 Joh. 12, 24-26
|
|
Woensdag 11 augustus H. Clara, maagd Ez. 9, 1-7 + 10, 18-22 Mt. 18, 15-20
|
|
Donderdag 12 augustus Ez. 12, 1-12 Mt. 18, 21 – 19,1
|
|
Vrijdag 13 augustus Ez. 16, 59+63 Mt. 19, 3-12
|
|
Zaterdag 14 augustus H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en martelaar Ez. 18, 1-13b + 30-32 Mt. 19, 13-15
|
|
Zondag 15 augustus Maria tenhemelopneming 1 Kron. 15, 3-4 + 15-16 + 16, 1-2 1 Kor. 15, 54-57 Lc. 11, 27-28(C) |
|
Lezing Uit het boek Wijsheid. 18, 6-9
Die nacht was aan onze vaderen tevoren bekendgemaakt, zodat zij, zeker wetend op welke eden zij vertrouwden, vol vreugde zouden zijn. Wat door uw volk verwacht werd was: redding voor de rechtvaardigen en ondergang voor de vijanden. Want door datgene waarmee U de tegenstanders strafte, hebt U roem verleend aan ons, de door U geroepenen. In het verborgene brachten de heilige zonen van de vrome mensen hun offer en zij aanvaardden eensgezind de goddelijke Wet, dat de heiligen gelijkelijk zouden delen in dezelfde goede dingen en dezelfde gevaren; vooraf zongen zij reeds de lofzangen van hun vaderen. |
 |
Lezing Uit de brief aan Heb. 11, 1-2 + 8-19
Het geloof is de vaste grond voor wat wij hopen, het bewijs van wat wij niet zien. Om hun geloof werden de ouden met ere vermeld. Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen; hij vertrok zonder te weten waarheen. Door het geloof verbleef hij als vreemdeling in het land dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten, evenals Isaak en Jakob, die dezelfde belofte erfden; want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is. Door het geloof heeft ook Sara, die onvruchtbaar was, de kracht ontvangen om ondanks haar hoge leeftijd nog moeder te worden, omdat ze Hem die de belofte had gedaan, betrouwbaar achtte. Daarom is ook uit één man, die totaal was afgeleefd, een nageslacht ontsproten, talrijk als de sterren aan de hemel, ontelbaar als de zandkorrels aan het strand van de zee. In geloof zijn zij allen gestorven, zonder te hebben ontvangen wat hun beloofd was. Zij hebben het alleen uit de verte gezien en begroet. Zij hebben zichzelf vreemdelingen en voorbijgangers op aarde genoemd. Wie zo spreken, geven duidelijk te kennen dat zij op zoek zijn naar een vaderland. Hadden zij heimwee gehad naar het land van hun herkomst, dan hadden zij gemakkelijk kunnen terugkeren, maar hun verlangen ging uit naar een beter vaderland, het hemelse. Daarom schaamt God zich niet om hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad gebouwd. Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef gesteld werd, Isaak ten offer gebracht. Hij stond op het punt om zijn enige zoon te offeren, en dat terwijl hij de beloften had ontvangen en tegen hem gezegd was: Zij die van Isaak afstammen, zullen gelden als uw nageslacht. Want hij was ervan overtuigd dat God zelfs de macht heeft om doden tot leven te wekken; daarom heeft hij zijn zoon ook teruggekregen, bij wijze van voorafbeelding.
|
|
Lezing Uit het evangelie volgens Lc. 12, 32-40 (C)
Wees niet bang, kleine kudde, want het heeft jullie Vader behaagd je het koninkrijk te schenken. Verkoop je bezit en geef aalmoezen. Zorg voor beurzen die niet verslijten, een onuitputtelijke schat in de hemel, waar geen dief bij kan komen en die geen mot kan aantasten. Want waar je schat is, daar zal ook je hart zijn. Houd je lendenen omgord en je lampen brandend. 36 Jullie moeten net zo doen als mensen die hun heer opwachten wanneer hij thuiskomt van de bruiloft, om hem, als hij komt en aanklopt, meteen te kunnen opendoen. Gelukkig zijn de knechten die de heer wakend aantreft bij zijn komst. Ik verzeker jullie dat hij zich omgordt, hen aan tafel nodigt en rondgaat om hen te bedienen. Gelukkig zijn zij als hij hen zo aantreft, ook al komt hij om middernacht of nog later. Bedenk wel: als de heer des huizes geweten had hoe laat de dief komen zou, dan had hij de inbraak wel verhinderd. Ook jullie moeten voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een uur waarop je het niet verwacht.’ |
|
Maak uw kostbare leven tot iets goeds en ook tot Gods vreugde Het lijken drie totaal verschillende stukjes tekst in het evangelie volgens Lucas. Op het eerste gezicht lijkt er weinig samenhang in te zitten. Het is daarom goed te kijken naar de achtergrond van waaruit Lucas schrijft. Lucas schrijft zijn evangelie in een periode waarin de christenen langzamerhand beginnen te beseffen dat de wederkomst van Christus langer op zich zal laten wachten dan men aanvankelijk dacht. Men moet er aan wennen dat het veel langer zal duren voordat de voltooiing daar is.
Dat betekent wachten, geduld oefenen en leven in het uitstel. Tegelijkertijd wordt duidelijk dat men niet met de armen over elkaar kan gaan zitten in de veronderstelling dat er toch niets gebeurt. Christenen moeten leren leven met een dubbele boodschap: enerzijds kan de wederkomst lang op zich laten wachten, anderzijds moet men er rekening mee houden dat die onverwacht komt. Dit geeft een spanning aan het leven van alledag. Christenen worden opgeroepen van het leven hier en nu iets goeds te maken en te doen alsof het een leven lang zal duren. Van de andere kant wordt van hen gevraagd zo te leven en te handelen dat er altijd iets nieuws kan gebeuren, iets wat niet te berekenen of te maken is. Met andere woorden, zegt Lucas, leef en maak iets van je leven en zorg er tegelijkertijd voor dat je open blijft voor iets wat je niet zelf kunt maken.
Lucas probeert allereerst zijn medechristenen moed in te spreken: Vrees niet, kleine kudde. Laat je niet ondermijnen door de angst vanwege allerlei bedreigingen van buitenaf.
Weet dat God je bewaart, God zal je nabij zijn. Het rijk van Gods trouw zal je gegeven worden. Maar ga niet stil zitten wachten tot alles voorbij zal zijn. Stel je leven hier en nu in dienst van de armen. Deel wat je bezit, met degenen die niets hebben. Leef zo dat je hart vol zal zijn van wat je kostbaar vindt: verbondenheid met mensen. Probeer tegelijkertijd je hart en je handen open te houden voor het onverwachte, het nieuwe. Blijf open voor de verrassing van wat je gegeven kan worden. Leef en handel als een dienaar die zich oefent in het beheren van wat hem is toevertrouwd. Het leven is niet van je zelf, je hebt het zomaar ontvangen, om niet. Wat zal het dan een verrassing zijn wanneer degene die jou het leven heeft toevertrouwd, in de vroege morgen terugkomt en constateert dat je er iets goeds van gemaakt hebt! Zijn vreugde zal jouw vreugde zijn.
Het beeld van de nacht waarin gewaakt wordt zonder dat men weet wat de nieuwe dag zal brengen, spoort men het verhaal over Abraham en Sara in de Hebreeën-brief. Zij gaan op weg zonder te weten waar de tocht zal eindigen, maar zij geven zich over in vertrouwen op de belofte dat het een goed einde zal zijn. Iets soortgelijks lezen we in het boek Wijsheid over het volk dat in de nacht staande blijft, wakend tot de dageraad, om dan te vertrekken naar een nieuwe toekomst.
|
 |
|

|
Redactioneel 01 augustus 2010
|
Redactioneel Liturgische catechese: de liturgische begroeting
Elkaar groeten in de liturgie behoort tot een van meest versleten riten in de onze hedendaagse vieringen. Ze zijn zo versleten dat men ze niet eens herkent als een begroeting. Elkaar groeten is een diep menselijke symboolhandeling. De dag kan niet goed beginnen als we elkaar in huis niet met een ‘goede morgen’ begroeten. Ieder doet het op zijn manier maar je kunt niet om de basis formule heen van ‘goede morgen’. Wie door een marrondorp loopt, hoort constant ‘un wiki no’. Je kunt niet een gesprek beginnen zonder eerst gegroet te hebben. Mensen groeten elkaar op veel verschillende manieren. Soms met een ‘hi’ of een ‘hallo’, een handdruk, een brasa, een kus. Paus Johannes Paulus kuste de aarde op het vliegveld bij zijn vele buitenlandse bezoeken. In het oude oosten waren de begroetingen heel uitgebreid en kwamen ze eigenlijk neer op een zegenwens. Jezus begroette zijn leerlingen op Paasmorgen met ‘Vrede zij met u’.
De woorden die wij in de liturgie gebruiken voor de begroeting komen uit de Bijbel zelf. Gideon wordt bij de roeping tot leider van het volk, gegroet door een engel met de woorden: ‘De Heer is met u, dappere held (rechters 6,12). In het boek Ruth groet Boaz de maaiers: ‘De Heer zij met u’, en zij groeten terug: ‘Wees gezegend door de Heer’ (Ruth 2,4). Wij kennen de groet ook in de woorden van de engel Gabriël tot Maria: ‘Wees gegroet Maria, vol van genade, de Heer is met u’ (Luc.1,28). En ook de brieven van Paulus eindigen met dergelijke groeten, bijvoorbeeld in 1 Tess.3,16. Met een groet geven we aandacht aan iemand en wensen we iemand iets goeds toe en bevestigen we de relatie die we met iemand hebben.
In de liturgie van de eucharistie komt de begroeting vier keer voor, op vier cruciale momenten in de liturgie. 1: Bij het begin, als openingsgroet van de voorganger tot de verzamelde gemeenschap; 2: voor het evangelie, als moment van concentratie en bevestiging van contact; 3: bij het begin van het eucharistisch gebed, waarbij de begroeting uitge- breid wordt met twee oproepen: ’Verheft uw hart’ en ‘brengen wij dank aan de Heer onze God’ die steeds passend beantwoord worden. En tenslotte 4: voor de slotzegen.
Alle vier keren beantwoordt het volk de groet met ‘En met uw geest’. Men kan nog een vijfde, bijzondere, groet noemen, namelijk de vredewens kort voor de communie: ‘De vrede van de Heer zij altijd met u’. Ook dan beantwoorden de gelovigen: ‘En met uw geest’. De liturgische begroeting markeert dus een aanvang en afronding van de viering en de hoogtepunten van de dienst van het Woord en de dienst van de Eucharistie. Zo zijn deze groeten de momenten waarop aandacht gevraagd wordt voor een belangrijk moment, en waardoor de band tussen voorganger en gemeenschap bevestigd wordt in het samenkomen bij de Heer, het luisteren naar zijn woord, het vieren van zijn maaltijd en het gezegend en bemoedigd uiteengaan.
Groeten is een uitdrukking van gemeenschap en saamhorigheid. We groeten onze buren, onze familieleden, onze levenspartner, onze collega’s elk op een eigen manier. Zo groeten we als voorganger en gelovigen in de liturgie elkaar met het toewensen van Gods aanwezigheid. Zo een groet kan een sleur worden, zoals ook de groeten in het alledaagse leven niet altijd een diepe betekenis hebben. Voor ons in de liturgie is het belangrijk dat wij afkomen van die sleur en elkaar van harte groeten. Om die sleur te doorbreken moet de voorganger zelf ook creatief en expressief zijn. Hoe expressief, zal van persoon tot persoon verschillen. (Bron: Thuiskomen in de liturgie, Bisdom Groningen/Leeuwarden)
|
zo 01 Achttiende zondag door het Jaar Wereld borstvoedingweek (tot 07 aug.) di 03 Priesterwijding pater Karel Choennie – 25 jaar
|
 |
| Gebedsintenties van de paus - Augustus 2010 |
|
Dat de werkelozen, de daklozen en allen die in grote nood verkeren begrip en erkenning mogen ondervinden en op concrete wijze hulp mogen verkrijgen om hun problemen op te lossen.
Dat de Kerk een ‘thuis’ moge zijn voor alle mensen en bereid is om haar poorten te openen voor al degenen die vanwege discriminatie op grond van ras of godsdienst of vanwege honger en oorlog gedwongen worden om naar andere landen te emigreren.
|
 |
Door P. Tjon Kiem Sang
Het hoofdartikel vandaag is het eerste in een serie van drie. Het is een bewerking van een serie die verscheen in het blad ‘Catholic News’ van het Aartsbisdom Port-of-Spain. De schrijver van deze serie, Henry Charles, gaat in deze artikelen in op de verschillende dimensies van vergeving en de bijbehorende verzoening. Goede stof om in deze tijd over na te denken.
Vergeving is een ingewikkeld proces: het omvat tijd, herinnering, heelheid, gebed, geduld, nederigheid, bekentenis, erkenning. Vergeving heeft een prominente plaats in alle religieuze tradities. In het ‘Onze Vader’ worden wij aangemoedigd om dit dagelijks te doen. Het gebed van Jezus zelf, toen Hij aan het kruis hing, was: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” Toen de Dalai Lama eens werd gevraagd naar het geestelijk geloofsgoed van het Tibetaans Boeddhisme, zei hij in alle eenvoud dat zijn religie er een was van barmhartigheid. Barmhartigheid en vergeving zijn twee zijden van dezelfde medaille. Toen hij verder werd ondervraagd over de Chinese invasie in Tibet, hield de Dalai Lama vast aan het vergeven van de aanvaller voor daden die zij in onwetendheid hadden uitgevoerd. Volgens een antieke vorm van vergeving, genaamd ‘tonglen’, eigende hij zich de Chinese onwetendheid en pijn toe, en zond hen zijn vergeving en geluk.
Hoe zit het dan met gerechtigheid? Vergeving werd een zeer actueel onderwerp na 11 september 2001 in de VS. Kon Amerika de terroristen ooit vergeven? Moesten zij vergeven? Wat betekent het voor een natie om vergeving te beoefenen? Is vergeving mogelijk voor genocide, voor de holocaust? Zal herstel ooit afgerond zijn, vragen de Duitsers zich af? Is een ‘waarheidscommissie’, zoals toegepast in Zuid-Afrika, een aanbevolen model voor het omgaan met geaccumuleerd kwaad, misdaad en verbittering in de geschiedenis van een natie? Hoe zit het met gerechtigheid? Dit zijn niet de enige moeilijkheden of dilemma’s bij vergeving. Een andere is: kan ik voor iemand anders vergeven? In het boek ‘De Gebroeders Karamazov’ zegt een van de broers: “Ik wil niet dat de moeder de beul omarmt, die haar zoon door zijn honden aan stukken laat scheuren. Ze moet niet durven hem te vergeven! Laat ze hem voor zichzelf vergeven, als ze dat wil ... maar ze heeft niet het recht om het lijden van haar kind te vergeven.” Is dit waar? Kan een ouder een kindermishandelaar vergeven? Wat als het slachtoffer van de misdaad of de mishandeling dood is?
Vergeving heeft verschillende dimensies. Ten eerste is er de fundamentele kwestie van tijd. Vergeving heeft tijd nodig. Niet voor de kleine ongenoegens die wij elkaar dagelijks aandoen. Voor deze ‘kleine’ vergrijpen hoort vergeving onmiddellijk te worden gegeven als erom wordt gevraagd. Wij komen allen wel eens in een situatie te verkeren dat wij om vergeving vragen of die geven. En wat wij verwachten van anderen ooit te ontvangen zullen wijzelf hen niet onthouden. Maar er zijn andere momenten waarbij mensen diep gekrenkt of verwond zijn. Onmiddellijke vergeving is dan niet zo eenvoudig of kant-en-klaar. Er zijn verschillende situaties uit onze herinneringen, onze eigen ervaringen, de ervaring van de geschiedenis, of van fictieve voorbeelden. Ivan Karamazov (uit hetzelfde boek) vertelt over de Kozakken die baby’s in het bijzijn van hun moeders in de lucht werpen en opvangen op hun bajonet. In de geschriften van Ho Chi Minh is er een verhaal van een Franse legerofficier die het geslachtsdeel van een Vietnamese vrouw vulde met vloeibaar rubber, omdat zij geweigerd had zichzelf te geven aan zijn hond. Denk aan verkrachting in moderne oorlogsvoering. Verkrachting is altijd een incident bij oorlogsvoering geweest. Maar de moderne vormen hebben de VN ertoe gedwongen om het tot oorlogsmisdaad te kwalificeren. In Bosnië werden moslimvrouwen door de Serviërs verkracht en vastgehouden totdat hun zwangerschap zichtbaar werd. Ze werden dan teruggestuurd naar hun eigen mensen om te bevallen van baby’s verwekt door de vijand. Hetzelfde gebeurde in Rwanda met de Hutu en Tutsi. In beide gevallen was verkrachting een systematische tactiek van ontaarding, en geen handeling gepleegd in de roes van oorlog.
Zou een slachtoffer van verkrachting dan haar aanrander moeten vergeven? Het antwoord is hetzelfde antwoord dat mensen die diep gekrenkt zijn, moeten geven: ja. Maar dit houdt een lang en zeer kostbaar proces in. Iemand die is verkracht, is zowel lichamelijk als geestelijk en in haar wezen geschonden. Alle drie gebieden moeten dan eerst tot een staat van genezing komen voordat vergeving een werkelijke mogelijkheid wordt. Men moet zich worstelen doorheen diepe verontwaardiging, woede, smart en ontering. Het proces vraagt tijd. Op geen enkele manier kan het tempo versneld worden waarin de pijn wordt omgezet in genezing. Er is ook helemaal geen soelaas te vinden in simpele aanbevelingen om de andere wang toe te keren. Vanuit dergelijke ervaringen zoekt het hart zijn eigen donkere, kronkelende weg naar het licht. Wij behoren de seizoenen van ons eigen innerlijk leven te respecteren, ongeacht hoe lang het duurt voordat de gebroken ‘ik’ is hersteld.
Verkrachting of misbruik zijn hierboven aangehaald om de totaliteit die vergeving vaak omvat weer te geven. Het is natuurlijk niet de enige schroeiende ervaring waarbij vergeving een kritieke rol speelt. Verraad is vergelijkbaar, evenals ontrouw en ondankbaarheid (de pijn die in de bijbel wordt omschreven als “scherper dan de tong van een slang”). Deze kunnen allen buitengewoon pijnlijk zijn. In elk van de gevallen heeft het wezen van de persoon niet zozeer het gevoel dat hem geweld is aangedaan maar eerder als te zijn vertrapt. Lichamelijke verwondingen hebben tijd nodig om te genezen. Bij niet-lichamelijke wonden duurt dat nog langer. Het is vrij nutteloos om in dergelijke omstandigheden aan de persoon te zeggen dat hij moet “vergeven en vergeten”. Als je te gemakkelijk vergeeft en vergeet is het zeer waarschijnlijk dat je niet zo bijzonder gekrenkt was. Zelfs nadat het verstrijken van de tijd zijn eigen perspectieven heeft gesmeed, kan het proces van vergeving verrassende wendingen aannemen. Je kunt misschien vorderingen hebben gemaakt om voorbij de pijn te geraken. Je kunt je misschien zelfs de dingen herinneren zonder gevoelens van pijn of woede. Maar wanneer je er het minst op voorbereid bent, kan iets plotseling een herinnering opwekken, oude gevoelens keren terug, gevoelens waarvan je dacht dat je ze ver achter je had gelaten, en je bent precies terug bij af. Wat dit zegt, is dat vergeving niet altijd helemaal voltooid is, maar iets dat steeds opnieuw moet worden gedaan. Jezus zei eens dat wij zeventig maal zeven keer moeten vergeven. Dat verwijst niet noodzakerlijkerwijs naar de vergeving van zeventig vergrijpen, maar naar één enkel vergrijp die zeventig maal zeven keer moet worden vergeven.
Als het gaat om vergeten is het niet een kwestie van wel of niet vergeten, maar veeleer een zaak van hoe wij op het punt geraken waarbij wij ons de dingen kunnen herinneren zonder verbittering of wrok. Dit is zeker niet geheel en al een kwestie van de wil alleen. Het is het resultaat van gebed en verlangen, het resultaat van genade. De mogelijkheid van een dergelijke genade kan echter onmogelijk bestaan als wij vasthouden aan onze pijn en die koesteren, alsof het een schat was waar wij geen afstand van kunnen doen. Soms worden wij zo in beslag genomen door de illusie dat de verwonding levend wordt gehouden door de herinnering, dus mag niemand het vergeten en zal de verantwoordelijke persoon er niet onderuit komen. Maar dit is slechts een manier om genoegen te nemen met hardheid van het hart. Hoe kunnen wij zo een innerlijke onverzoenlijkheid loslaten? Het harde schild wordt vaak gebroken door het leven zelf. Het is voor ons vaak een schokkende ontgoocheling wanneer wij een dierbaar iemand verliezen, of wanneer wij worden getroffen door een levensbedreigende ziekte. Dan realiseren wij ons hoe marginaal veel van onze zorgen zijn, en hoe belangrijk sommige dingen zijn die wij onafgemaakt laten liggen. Vergeving mag ook niet vóór zijn tijd worden gegeven. Noch zou het opzettelijk mogen worden uitgesteld. Maar het is belangrijker om te wachten totdat het in alle oprechtheid kan worden gedaan, dan het te doen terwijl men nog worstelt met pijn of woede. Tot dan kunnen wij slechts bidden om in staat te zijn te kunnen vergeven, een zielshouding die de eigen ‘ik’ nijgt in de richting van vergeving. Als je vergeeft en het niet meent, is het mogelijk dat je de persoon die jij beweert te vergeven stilletjes haat of veracht. Degene die vergeeft begrijpt vergeving vanuit de binnenkant op een manier waarop degene die vergeven wordt dat niet begrijpt. Laatstgenoemde zal nooit precies weten wat de gevolgen waren van hetgeen gedaan is. In dit licht bekeken is het gebed van Jezus letterlijk waar: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat ze doen.”
De toestand onvergevingsgezindheid, het onvermogen om wrok los te laten, is tegenwoordig zo wijdverspreid in de schade die het aanricht, dat men in de psychotherapie vergeving thans beschouwt als iets dat onontbeerlijk is voor goede geestelijke gezondheid. Onvergevingsgezindheid maakt innerlijke vrede onmogelijk. Het brengt zelfs de lichamelijke gezondheid in gevaar. Medische onderzoeken hebben aangetoond dat hart- en vaatziekten en longkwalen vaak gerelateerd zijn aan het weigeren om wrok los te laten. Vandaar dat psychotherapeuten vergeving aanbevelen in het belang van het welzijn van de betrokken persoon zelf. Christenen hebben hiervoor meer geestelijke beweegredenen – of behoren die te hebben.
|
| Kathedrale Koorschool een aparte basisschool |
Met ingang van het nieuwe schooljaar is de Kathedrale Koorschool een aparte basisschool. De kinderen volgen hier de gewone lessen van het basisonderwijs. Daarnaast krijgen ze dagelijks een uur zangles en muziektheorie. Zowel de gewone lessen als de muzieklessen zijn van bijzonder hoog niveau. Hierdoor kunnen de kinderen hun talenten volledig ontplooien. Dat geeft ze op latere leeftijd grotere kansen in hun maatschappelijke carrière. Daarnaast vormen zij het kathedrale jeugdkoor. Ze zijn in staat de mooiste muziek te zingen.
In Europa en de Verenigde Staten doen duizenden kinderen jaarlijks toelating voor een koorschool zoals deze. Het Bisdom en het RKBO zijn trots op hun eigen Kathedrale Koorschool die van grote betekenis voor Suriname en haar kinderen is. De Koorschool is een dependance van de Elisabeth-I met een eigen coördinator en een speciaal geselecteerd team van leerkrachten. Om toegelaten te worden moeten kinderen een stemtest doen. Deze stemtesten vinden plaats van 2-7 augustus in Ons Erf.
Ouders kunnen hun kinderen hiervoor opgeven bij de eigen basisschool of rechtstreeks bellen met Ons Erf, tel: 425368.
|
|
De moeder die het allemaal mogelijk maakte.....
.. en ook stevig heeft mee-geleden
|
Je neemt haar als gewone gelovige vaak voor lief, Maria, de moeder van Jezus, maar is dat wel correct, dat voor lief nemen. Natuurlijk heeft ze in de schaduw van haar grote Zoon geleefd, zowel in het echt als in de boeken. Maar al vanaf het begin was moeder Maria, zoals wij katholieken haar het liefst noemen, bereid een offer te brengen waarvan jij je afvraagt of ze wel de reikwijdte al vanaf het begin begreep. Voor een jonge vrouw uit die tijd, zelfs een hele vrome en gelovige jonge vrouw, was het niet niks, bezoek te krijgen van een engel met een verzoek of je de moeder wilde worden van de Messias, waarvan in de schriften al gewag was gemaakt. En waarvan Maria ongetwijfeld ook op de hoogte moet zijn geweest. “Hij zal een groot man worden en Zoon van de Allerhoogste worden genoemd en God, de Heer, zal hem de troon van zijn vader David geven. Tot in eeuwigheid zal hij koning zijn over het volk van Jacob, en aan zijn koningschap zal geen einde komen.” Je bent alleen thuis en je krijgt dit op je bord! Maar Maria aarzelt niet. Vraagt ook geen bedenktijd, wat heel normaal zou zijn geweest voor een 16- of 17-jarige, ook in deze tijd! Ze spreekt ook niet tegen, heeft geen bedenkingen zoals Mozes eens, heel lang geleden. Deze jonge Jodin begrijpt wat er van haar gevraagd wordt en zegt ja. “De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.” Zij moet ook hebben geweten dat ze door haar Heer niet in de steek zou worden gelaten. God vraagt nooit een offer van ons dat onze krachten te boven gaat, nooit. Dus ja, ik ben bereid, doe maar! Een Godsvertrouwen en een geloof waar wij ook vandaag nog veel van kunnen leren. Een blindelings varen op het kompas van onze Heer!
En dan komt na zijn jongensjaren en zijn puberteit en al die jaren dat de jonge Nazoreeër gelukkig kon zijn met zijn vader en moeder, de dag dat hij de openbaarheid opzoekt. Hij begint met een wonder waarvoor z’n eigen moeder hem wist te ‘strikken’. Ze moet, toen al, hebben geweten van zijn bovennatuurlijke krachten, van zijn werkelijke afstamming. Op de bruiloft van Kana zegt ze aan de mensen in de keuken, die tegen de lege wijnvaten aan zaten te kijken: “Doe wat Hij jullie zeggen zal.” En dan komt zijn ‘protest’: “Mama, je bemoeit je eigenlijk met zaken die buiten je om liggen. Je zet me hier even voor het blok. Mijn tijd is eigenlijk nog niet gekomen!” Een protest, maar nooit en te nimmer zou hij zijn moeder laten vallen, dus hij verricht daar, ter plekke, zijn eerste wonder: zes grote kruiken van 40 liter wijn. Wijn van een kwaliteit waar ze even van stonden te kijken, de ceremoniemeester en het echtpaar!
Maar ook ‘t wrede en onmenselijke maakte ze mee, van dichtbij, het zwaard dat haar hart zou doorboren. Haar Jezus, die in de bloei van zijn leven, voor een nep hof kwam en door een laffe landvoogd werd veroordeeld. Eerst de beestachtige marteling door geseling en dan het kruis, waaraan toen gespuis werd opgehangen. Het zal je zoon maar wezen, die daar - ten onrechte nota bene! - als een boef moet sterven. Een moeder, die als enige vrouw onder het kruis stond, samen met de jonge Johannes, haar zoon bijstaand in zijn stervensuur. Die pijn en dat verdriet zijn met geen pen te beschrijven.
De Kerk kon niet om haar heen, Moeder Maria, die niet aan de dood werd prijsgegeven, maar als dappere en vrome vrouw en moeder ten hemel werd opgenomen.
Bij ons is augustus de maand waarin wij haar heel speciaal gedenken. En op 15 augustus is er zelfs een speciale processie, gewijd aan haar ten hemel opneming. Deze processie begint om vijf uur ’s middags in de St. Bonifaciuskerk. Er wordt in processie gelopen naar de St. Rosakerk, waar een plechtige eucharistieviering zal zijn, ter ere van deze reuzin van onze kerk. Zorg dat u erbij bent! Maria bracht het offer ook voor u!
Henry Bettencourt
|
|
In memoriam
zr. M. BOUDINA (Emma Maria) NIJHOLT
|
van de Zusters van Liefde van Tilburg. Zij werd geboren op 5 september 1922 te Meppel en is ingetreden in de Congregatie van de Zusters van Liefde van Tilburg op 1 mei 1944.
Zuster Boudina kwam uit een gezin met zeven kinderen. Het geloof speelde een grote rol in het gezin. Drie van de kinderen Nijholt kozen voor een religieus leven. Zuster Boudina wilde graag naar de Zusters van Liefde waar zij al mee vertrouwd was door haar werk in het ziekenhuis in Groningen. In de oorlogstijd kwam zuster Boudina naar Tilburg. In het novinciaat kreeg zij een grote klap te verwerken, toen het bericht kwam dat haar vader gefusilleerd was na een verzetsdaad. Het beeld van haar vader droeg zij haar hele leven met zich mee.
De vorige maand en wel op 16 juni 2010, is zr. Boudina komen te overlijden in Huize Mater Misercordiae te Tilburg Nederland. De viering ten afscheid is gehouden op 21 juni j.l in de kloosterkapel aldaar. Zr. Boudina is bijna 88 jaar geworden. ‘De begrafenis van tante Emma vond ik waardig en erg indrukwekkend’, zo drukte haar nicht Ineke zich uit. Er waren mooie bloemstukken van de familie, maar ook namens Suriname van medezusters, vrienden en kennissen, bestuur-directie en personeel van het St. Vincentius ziekenhuis. De jaren 1959 tot 1980 bracht zr. Boudina door in Suriname als Missie- en regionale Overste, als medezusters, econome, als Zuster van Liefde van O.L.Vrouw Moeder van Barmhartigheid. De laatste jaren van haar leven brachten opnieuw moeilijke momenten. Het werd stiller om haar heen toen al haar zussen en broers overleden waren. Het was moeilijk dat ze niet goed meer kon praten. Maar zuster Boudina bleef vriendelijk en kon nog zo genieten van een gezellig samen zijn.
Zr. Lidewijde had het geluk, dat zij nog in Nederland verbleef en in de gelegenheid was om de uitvaart mee te kunnen maken en ook tijdens de dienst iets te mogen zeggen. De inhoud daarvan luidde ongeveer als volgt:
‘Zuster Boudina, je hebt je einddoel – je levensdoel bereikt. De Heer heeft je tot Zich geroepen en dat geluk duurt EEUWIG! Namens vele Surinamers en je vele medezusters, die samen met jou hebben geleefd en gewerkt in Suriname als Zuster van Liefde, maar ook die van voor en na die periode, danken wij jou voor je volledige, energieke en bewogen inzet op vele terreinen! Je hebt vol liefde en trouw gewoekerd met al je krachten en talenten voor het welzijn van de zusters van de Regio Suriname en daardoor en samen met hen voor het welzijn van het Surinaams volk. Voor de melaatsen en ex-melaatsen, het St. Vincentius ziekenhuis, het internaat Rajpur/Ranipur voor Hindostaanse kinderen, het Bejaardencentrum Majella, de kraamkliniek ‘Santo Boma, de werkzaamheden zowel in de stad Paramaribo als in het binnenland op het gebied van gezondheidszorg en onderwijs.
Het zware ongeluk wat je overkwam in de jaren zeventig, maar wat je wonderwel mocht overleven, was een zware klap. Het tastte echter niet je wilskracht aan, je inzet en doortastendheid. Integendeel!!! Je familie toonde zich ook zeer betrokken en begaan met noodgevallen en situaties waar dringend hulp gewenst was. Zij reageerden daarop met praktische hulp ter plaatse en het sturen van pakketten met hulpgoederen. Tot lang na je vertrek zijn er regelmatig pakketten van de familie binnen blijven komen.
En jij bleef ook die laatste twintig jaar sterk verbonden met Suriname en de mensen die je dierbaar bleven. Maar ook heb je mogen ervaren, evenals wij allen, hoeveel je hebt mogen terugontvangen van je mensen aan liefde, zorg, geloof en vertrouwen. Zr. Boudina, jouw aardse taak is volbracht. Leef gelukkig voort bij je Heer!
Zrs. van Liefde in Suriname
Op 5 september- de geboortedag van zuster Boudina – zal een herdenkingsdienst gehouden worden. Plaats en tijd worden nog nader bekend gemaakt.
|
Uitstapje met catechese kinderen Paramaribo Noord naar de Paramaribo Zoo
|
|
Het was overweldigend! We kregen hulp van alle kanten
Ruim 175 kinderen van de eerstejaars, tweedejaars en derdejaars catechese hebben zich aangemeld op zaterdagmorgen 17 juli. Reeds om half negen stonden al een paar kinderen met hun ouders te wachten voor de poort van de dierentuin. Een bus met kinderen en leidsters van Geyersvlijt en Blauwgrond kwam aan. Auto’s met kinderen van Morgenstond en Clevia. De kinderen die hun Eerste Heilige Communie hebben gedaan, kregen een geel lintje en de rest kreeg een rood lintje, als herkenningsteken, dat ze bij ons horen. Want er waren ook andere kinderen die de zoo bezochten. Het was een heel grote familie met 21 leidsters. Een pluimpje voor de kinderen, ze hebben zich keurig gedragen, heel gedisciplineerd. Een fluitje van juf Soeki was al voldoende om ze bij elkaar te krijgen. En aan snoep en lekkernij was er niets tekort. Zoveel mensen hadden iets gesponsord.
Op het einde werd alle vuil netjes in een container gedaan. Om precies 13.00u. werden de kinderen gehaald. Kinderen, jullie waren geweldig hoor. Het was een geslaagde morgen. Ook u Pater Gerard. Bedankt voor alle hulp. Ook aan de vele sponsoren die het mogelijk maakten dat wij de kinderen echt konden verwennen. Ingrid Karg




Hierbij de reacties van enkele kinderen:
Hi, jongens en meisjes, lezers van Omhoog. Wij, de kinderen van de parochiecatechese van Noord, hebben een mooie trip gemaakt naar de dierentuin. Het was echt gezellig. Wij hebben gezien hoe schoon de dierentuin onderhouden wordt. Echt om trots op te zijn. De mooiste dieren vonden wij de toekans, de tijgers, de raven en de slangen en ook de krokodillen. Ook in de speeltuin was het echt leuk. Wij vonden het een zeer gezellige ochtend. Oyentha, Saragail en Naisha.
De dierentuin is echt leuk. Hij wordt steeds weer groter en mooier. De moeite waard om er een bezoek te brengen. Ook samen met alle kinderen te spelen was erg leuk. De meeste aandacht kreeg de watradagu. Maar het meeste plezier hadden wij bij het voeren van de ezel, en dan natuurlijk de apen niet vergeten die los rondliepen en in de bomen klommen. Echt mooi! Echt, wij hebben een leuke dag gehad met alle kinderen van parochiecatechese van Paramaribo Noord. Saville, Wayn, Yvandro en War
|
|
|
|
Maandag 2 augustus Jer. 28, 1-7 Mt. 14, 13-21
|
 |
Dinsdag 3 augustus Jer. 30, 1-2 + 12-22 Mt. 14, 22-36
|
|
Woensdag 4 augustus H. Johannes Maria Vianney, (Pastoor van Ars) priester Jer. 31, 1-7 Mt. 15, 21-28 |
|
Donderdag 5 augustus Jer. 31, 31-34 Mt. 16, 13-23 |
|
Vrijdag 6 augustus Gedaanteverwisseling van de Heer Dan. 7, 9-10, 13-14 Lc. 9, 28b-36 |
|
Zaterdag 7 augustus Hab. 1, 12- 2,4 Mt. 17, 14-20 |
|
Zondag 8 augustus Negentiende zondag door het Jaar Wijsheid. 18, 6-9 Heb. 11, 1-2 + 8-19 Lc. 12, 32-40 (C) |
|
Lezing Uit het boek Pred. 1, 2 + 2, 21-23
IJl en ijdel, zegt Prediker, ijl en ijdel, alles is ijdel. Wat heeft de mens aan al zijn zwoegen en tobben onder de zon? Want als iemand door zijn kennis en wijsheid moeizaam iets gepresteerd heeft, moet hij het toch overlaten aan een ander, die er niets voor gedaan heeft. Ook dat is ijdel, onzinnig. Wat heeft een mens dan aan zijn harde werken, aan al zijn zorgen en tobben onder de zon? Zijn leven is één lijdensweg, zijn werk een bron van ellende. Zelfs ‘s nachts vindt hij geen rust. Ook dat is ijdel. |
 |
Lezing Uit de brief aan Kol. 3, 1-5 + 9-11
Als u nu met Christus ten leven bent gewekt, zoek dan ook wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God. Zet uw zinnen op wat boven is, niet op het aardse. U bent immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer Christus, die uw leven is, verschijnt, zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid. Maak de aardse praktijken dood: ontucht, onzedelijkheid, hartstocht, kwade begeerte en de hebzucht, die gelijk staat met afgoderij. En vertel elkaar geen leugens meer. Trek de oude mens met zijn gedragingen uit, bekleed u met de nieuwe mens, die wordt vernieuwd tot het ware inzicht, naar het beeld van zijn schepper. Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar, Skyth, slaaf, vrije mens. Maar alles in allen is Christus. |
|
Lezing Uit het evangelie volgens Lc. 12, 13-21 (C)
Iemand uit de menigte zei tegen Hem: ‘Meester, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.’ Hij zei tegen hem: ‘Wie heeft mij als scheidsrechter tussen u beiden aangesteld?’ Hij zei tegen hen: ‘Pas op voor iedere vorm van hebzucht! Ook al heeft een mens nog zo veel, zijn leven bezit hij niet.’ Hij vertelde hun een gelijkenis: `Er was eens een rijke, wiens land veel had opgebracht. Hij dacht bij zichzelf: “Wat moet ik doen? Ik heb geen ruimte om mijn oogst op te slaan.” “Dit ga ik doen,” dacht hij, “ik breek mijn schuren af en ga grotere bouwen; dan kan ik daar al het graan en mijn andere goederen in opslaan, en tegen mezelf zeggen: Je hebt daar nu heel wat liggen, jongen, je kunt jaren vooruit. Rust nu maar eens uit, eet, drink en neem het ervan.” Maar God zei tegen hem: “Jij dwaas, nog deze nacht wordt jouw leven opgeëist, en voor wie zijn dan al die voorraden die je hebt aangelegd?” ‘Zo vergaat het iemand die rijke schatten verzamelt voor zichzelf en niet voor God.’
|
|
|
zondWat is belangrijker? De verbondenheid met mensen en God, of die met materiële dingen?...
Achttiende zondag door het jaar - 01 augustus
|
Als een rode draad loopt door het boek Prediker de gedachte dat alles ijdel is. Wanneer het boek precies geschreven is, en door wie, is niet duidelijk. Exegeten schatten, op grond van gegevens uit de tekst, dat het zo’n tweehonderd jaar voor Christus geschreven zal zijn, en wel door iemand die zich Kohelet noemt. Dat is waarschijnlijk iemand die het volk onderricht. Veel om het boek heen is dus onduidelijk. Zo niet de grote gedachtegang van het boek: alles is ijdel. Dat wil zeggen: alles gaat voorbij, en je vraagt je af waar het eigenlijk toe leidt. Bovendien is er op de wereld nog grove onrechtvaardigheid. Ook daar zul je mee moeten leven. Deze lezing is gekozen omdat hij enigszins aansluit op de lezing van het evangelie. Daar gaat het erom dat je niet zozeer uit moet zijn op het verzamelen van aardse goederen, maar je meer zou moeten richten op rijkdom die voor God stand houdt. Dit verhaal wil niet ingaan op het feit dat mensen zich goederen moeten verzamelen om te kunnen leven. Het gaat wel over de afweging die je maakt tussen het opbouwen van materiële rijkdom en je verbondenheid met mensen en God.
Iemands broer zou de erfenis met hem moeten delen. Daar begint het verhaal mee. Wat speelt hier? Het is alsof Jezus daar helemaal niet op ingaat, niet op wil ingaan. Hij zegt dat hij geen rechter of verdeler is. Toch waren joodse rabbi’s dat vaak wel. Jezus wijst dit, wat hem betreft, resoluut van de hand. Lucas vertelt ons keer op keer in zijn evangelie en in de Handelingen dat Jezus het over het rijk Gods heeft, en dat het hem erom gaat dat mensen nu al de keuze kunnen maken in dat rijk te leven. In dat rijk gaat het om de goede onderlinge verstandhoudingen. Zoals God zich tot ons verhoudt, zo zouden wij ons tot elkaar moeten verhouden. (zie ook de rode draad bij de zestiende zondag door het Jaar). Maakt Jezus de broer uit ons verhaal er niet op attent dat hij er eens goed over moet nadenken wat nu het belangrijkste voor hem is: een gedeelte van de erfenis van zijn vader of de goede band met zijn broer? De erfenis kan zomaar in één nacht verdwijnen. Maar dan nog, en dan nog meer, ben je op elkaar aangewezen. Verbondenheid met elkaar is de afspiegeling van de verbondenheid van de Ene met ons.
Wat blijft er op onze aarde eigenlijk van een mens na diens dood? Dit is een vraag die ieder van ons zich van tijd tot tijd stelt, lijkt me. De echte verbondenheid die je bevorderd hebt, gaat na je dood door onder mensen. Dit kan van zeer grote en vérstrekkende invloed zijn. Verbondenheid met de natuur, het heelal, mensen om je heen, idealen, je geloof, verbondenheid met de Ene.
|
 |
|

|
| Redactioneel 25 juli 2010 |
De strijd tegen de draak Door P. Tjon Kiem Sang
Over drie weken, op zondag 15 augustus, vieren wij het feest van de Tenhemelopneming van Maria. Met dit feest gedenkt de Kerk dat de heilige Maagd Maria door God in de hemel werd opgenomen. In 1950 werd dit geloofsgegeven door paus Pius XII tot dogma verklaard en in het document ‘Lumen Gentium’ van het Tweede Vaticaans Concilie is dit dogma als volgt verwoord: “Tenslotte is de onbevlekte Maagd, gevrijwaard van ieder smet van de Erfzonde, in het voltooien van haar aardse levensloop, met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid opgenomen en door de Heer verheven tot koningin van het heelal om zo gelijkvormiger te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de overwinnaar van zonde en dood.” (LG 15) Inmiddels zijn wij zestig jaren verder en is de viering van dit feest inmiddels een groots gebeuren geworden in ons Bisdom. De Sint-Bonifaciusparochie en de Sint-Rosaparochie organiseren op die de dag de traditionele Mariaprocessie. Wat betekent dit feest voor ons anno 2010? Een homilie van paus Benedictus XVI gaat in op deze vraag en kan voor ons in deze dagen bijzonder houvast bieden.
Strijd tussen liefdes In zijn grote werk “De Stad Gods” zegt de heilige Augustinus dat heel de menselijke geschiedenis, de geschiedenis van de wereld, een strijd is tussen twee liefdes: de goddelijke liefde, die gaat tot aan het verliezen van jezelf, tot aan de gave van jezelf toe, en de eigenliefde, die gaat tot aan het verachten van God, tot aan de haat jegens de anderen toe. Zo’n zelfde duiding van de geschiedenis als strijd tussen twee liefdes, tussen de liefde en het egoïsme, komt ook naar voren in de lezing van die dag uit Apokalyps 11,19 – 12, 10. Hier verschijnen die twee liefdes in twee grote gestalten. Allereerst is er de geweldig sterke rode draak, met een indrukwekkend en verontrustend vertoon van een macht zonder genade, zonder liefde, van absolute zelfzucht, van terreur en geweld.
De draak en de weerloze vrouw Op het moment waarop de heilige Johannes de Apokalyps schreef, werd voor hem die draak concrete werkelijkheid in de macht van de Romeinse antichristelijke keizers, van Nero tot Domitianus. Deze macht leek onbegrensd; de militaire, politieke, propagandistische macht van het Romeinse rijk was van dien aard dat daartegenover het geloof, de Kerk op een weerloze vrouw leek, zonder de mogelijkheid om te overleven, laat staan te overwinnen. Wie kon zich tegen deze alomtegenwoordige macht te verzetten, die tot alles in staat leek? En toch weten we dat uiteindelijk de weerloze vrouw heeft overwonnen, dat niet het egoïsme, niet de haat heeft overwonnen; dat de liefde van God heeft overwonnen en het Romeinse rijk zich geopend heeft voor het christelijk geloof.
Antichristelijke dictatuur tegenover de Kerk De woorden van de Heilige Schrift overstijgen steeds het historisch moment. Zodat deze draak niet alleen verwijst naar de antichristelijke macht van de vervolgers van de Kerk in die tijd, maar naar de materialistische antichristelijke dictaturen van alle tijden. Wij zien hoe deze macht, deze kracht van de rode draak opnieuw werkelijkheid is geworden in de grote dictaturen van de vorige eeuw: de dictatuur van het nazisme en de dictatuur van Stalin hadden alle macht en drongen door tot in iedere, ja tot in de uiterste hoek. Het leek onmogelijk dat op de lange termijn het geloof zou kunnen overleven tegenover zo’n sterke draak, die de kind geworden God en de Vrouw, de Kerk, wilde verslinden. Maar in werkelijkheid was ook in dit geval uiteindelijk de liefde sterker dan de haat.
De hedendaagse draak Ook vandaag de dag is er de draak, op verschillende nieuwe manieren. Hij is er in de vorm van materialistische ideologieën die zeggen: “Het is absurd aan God te denken; het is absurd de geboden van God te onderhouden; dat is iets van het verleden. Het enige dat telt, is het leven voor zichzelf te leven, alles te pakken wat we in deze korte tijd van leven pakken kunnen. Alleen de consumptie telt, het egoïsme, het vertier”. En opnieuw lijkt het absurd, ja onmogelijk zich te verzetten tegen deze dominante mentaliteit die met zoveel kracht middels de media wordt gepropageerd. Het lijkt onmogelijk vandaag de dag nog te denken aan een God die de mens geschapen heeft die een kind geworden is en die de ware heerser van de wereld zou zijn.
Maria bekleed met de zon Ook nu lijkt deze draak onover-winnelijk, maar ook nu blijft het waar dat God sterker is dan de draak, dat de liefde wint en niet het egoïsme. Na zo de verschillende historische gestalten van de draak te hebben beschouwd, kijken we nu naar het andere beeld: de vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten, en door twaalf sterren omgeven. Ook dit beeld heeft veel dimensies. Een eerste betekenis is ongetwijfeld dat het Onze Lieve Vrouw is, Maria bekleed met de zon, dat wil zeggen met God, geheel en al; Maria die geheel en al leeft in God, omgeven en doordrongen van het licht van God. Omgeven door twaalf sterren, dat wil zeggen door de twaalf stammen van Israël, door heel het Volk van God, door heel de gemeenschap van de heiligen, en aan haar voeten de maan, beeld van de dood en van de sterfelijkheid. Maria heeft de dood achter zich gelaten; zij is helemaal bekleed met het leven, zij is met lichaam en ziel opgenomen in de glorie van God en zo, geplaatst in de heerlijkheid en de dood overwonnen hebbend, zegt ze tot ons: “Vat moed, aan het eind overwint de liefde! Mijn leven bestond erin te zeggen: Ik ben de dienstmaagd van God. Mijn leven was gave van mijzelf, voor God en voor de naaste. En dit leven van dienstbaarheid komt nu aan bij het ware leven. Hebt vertrouwen, hebt de moed om zo te leven, ook jullie, tegen alle dreigingen in van de draak”.
De pijn van de Kerk Dit is de eerste betekenis van de vrouw die Maria uiteindelijk geworden is. De “vrouw bekleed met de zon” is het grote teken van de overwinning van de liefde, van de overwinning van het goede, van de overwinning van God. Het grote teken van vertroosting. Maar deze vrouw die lijdt, die moet vluchten en die baart met een schreeuw van pijn, is vervolgens ook de Kerk, de pelgrimerende Kerk van alle tijden. In alle generaties opnieuw moet zij Christus baren, hem onder grote smart en onder lijden ter wereld brengen. In alle tijden wordt zij vervolgd, leeft zij als het ware in de woestijn, vervolgd door de draak. Maar in alle tijden leeft de Kerk, het Volk van God, ook van het licht van God en wordt zij, zoals het Evangelie zegt, door God gevoed, in zichzelf gevoed met het brood van de Heilige Eucharistie. En zo, in al haar beproevingen, in al de verschillende situaties van de Kerk in de loop der tijden, in de verschillende delen van de wereld, overwint zij door te lijden, en is zij tegelijkertijd de aanwezigheid, de garantie van de liefde van God tegen alle ideologieën van de haat en van het egoïsme in.
Verliezen om te vinden Zeker, we zien dat ook vandaag de dag de draak de God wil verslinden die een kind geworden is. Maar vrees niet om deze ogenschijnlijk zo zwakke God. De strijd is al gewonnen. Ook vandaag de dag is deze God sterk: Hij is de ware kracht. Zo is het feest van Haar die ten hemel opgenomen is, de uitnodiging om vertrouwen te hebben in God en ook een uitnodiging om Maria na te volgen in wat zij zelf heeft gezegd: Ik ben de dienstmaagd van de Heer, ik stel me geheel ter beschikking van de Heer. Dit is de les: er op uit trekken; ons leven geven en niet nemen. Juist zo zijn we op de weg van de liefde die een zich verliezen betekent, maar een zich verliezen dat in werkelijkheid de enige weg is om zich waarlijk te vinden, om het ware leven te vinden.
Als wij naar Maria kijken, die ten hemel is opgenomen en ons door haar laten bemoedigen tot het geloof en tot het feest van de vreugde, dan weten wij: God overwint. Het ogenschijnlijk zwakke geloof is de ware kracht van de wereld. De liefde is sterker dan de haat.
|
zo 25 Zeventiende zondag door het Jaar di 27 Gebeente Petrus Donders overgebracht naar Kathedraal – 110 jr.
|
 |
|
|
Liturgische catechese de openingsritus 2
|
|
Het openingslied:
Een ritus heeft een heel bepaalde functie. Doordat een rite gemeengoed is geworden kan het gebeuren dat we de functie vergeten. Soms kiest men bijvoorbeeld een openingslied dat helemaal niet aan de liturgische functie beantwoordt. Zelfs Omhoog maakte zich hieraan schuldig door in de rubriek suggesties voor de zondag onzorgvuldig liederen op te nemen. Intussen is hier gelukkig al alle aandacht voor en zijn de nodige aanpassingen gepleegd.
De eerste functie van het openingslied is: ‘de viering te openen en de eenheid van de aanwezigen te bevorderen’. Uit ervaring weten we dat je een lied moet kiezen dat bekend is en gemakkelijk te zingen. Kiezen wij een onbekend lied dan slaan we de viering lam. Als in een kerk met honderd mensen twee zingen dan mis je de functie, namelijk dat we door het zingen samen iets doen om één te worden. Samen zingen maakt de monden en de harten open, je lichaam komt in beweging. Zo maken wij ons gereed om als gemeenschap en niet enkel als individu te kunnen vieren. Een tweede functie van het openingslied is om de gelovigen in te leiden in het mysterie van de liturgische tijd of het feest door de inhoud of het liturgisch gebruik. Als men een bepaald lied voor de advent reserveert, krijgt het een signaal functie. Zodra we dit lied zingen komen wij de sfeer van advent. Het is verkeerd om dit lied ook in de kersttijd te zingen. De signaalfunctie mogen we niet onderschatten. De reclameboodschappen maken hier handig gebruik van. Door een bepaalde melodie te koppelen aan een product en het steeds te herhalen, maken de mensen automatisch een associatie tussen tune en product. Je kunt dit al zien in heel kleine kinderen. Een openingslied is meestal ook als zodanig gecomponeerd. Heel erg is het als men de dienst met een meditatielied als ‘hear o Lord’ opent, toch gebeuren zulke dingen. Onze zangbundel heeft als zwak punt dat er weinig liturgische liederen zijn die beantwoorden aan de verschillende liturgische functies in de eucharistie. De nieuwe Jubilate zal daarin verandering brengen.
Het kruisteken
Na het lied maken ‘de priester en heel het volk’ het kruisteken. Een tweede symboolgebaar, het wachtwoord van katholieken die elkaar herkennen aan dat trinitarisch teken. Tijdens de wereld kampioenschappen voelen we meteen de herkenning als een voetballer uit Brazilië of elders een kruisteken maakt. We denken dan: ‘die is ook één met ons!’ Het kruisteken moet daarom heel bewust gemaakt worden. Hier schuilt ook het gevaar dat een bepaalde rite versleten kan raken en de mensen aan de functie voorbijgaan. Bij de woorden ‘In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’, weten we dat dit het signaal is voor: nu begint het, nu moeten we opletten en is het ernst. Om de rite levendig te houden en heel zijn geloofsdimensie terug te geven zouden we het af en toe heel plechtig kunnen doen of met een korte inleiding de focus terugbrengen. Vooral met schoolkinderen waar het automatisme is ingestampt, zie je wel eens dat het kruisteken maken een heel andere signaalfunctie heeft gekregen. Het kruisteken is dan een teken geworden dat de pauze is aangebroken en dat we hongerig en wild mogen doen. We dienen er voor te waken dat we het kruisteken altijd met heel veel eerbied maken en dat het slechts die functies oproept die de kerk bedoelt.
De begroeting
Daarna geeft de priester door de begroeting aan de bijeengekomen gemeenschap te kennen, dat de Heer tegenwoordig is. Hij zegt: ‘De Heer is met U’. Het volk antwoordt ‘en met uw Geest’. De geloofsgemeenschap is een organisch geheel. Dat wil deze dialoog zeggen. Een dialoog kent altijd participanten. Hier gaat het om de geloofsgemeenschap en de voorganger die vanuit de gemeenschap de taak heeft namens God het volk bijeen te roepen. Het is dus liturgisch onjuist dat de dienstleider of iemand anders de priester of de bisschop uitnodigt om voor te gaan in de dienst. Pas na de begroeting van de priester kan de priester zelf of de diaken of een andere geschikte assistent in zeer korte bewoordingen de eucharistie van de dag inleiden. De priester kan één van de drie begroetingen gebruiken die in het officiële missaal staan. In Suriname zijn we bekend met de formule: De Heer zij met U en met Uw Geest. Soms hoor je wel eens het verwijt dat ‘en met uw geest’ niet te begrijpen valt. ‘En met uw geest’ is eigenlijk een uitdrukking die aan het Hebreeuws ontleend is (en ook met u), maar duidt ook op de Geest die de ambtsdragers bij hun wijding op bijzondere wijze ontvangen hebben.
Volgens een heel oude traditie, ooit uitgesproken op het concilie van Hippo van 393, wordt deze groet alleen met hen uitgewisseld. Het doet afbreuk aan deze traditie wanneer in diensten waarin leken voorgaan ook deze groet wordt gebruikt. In vieringen met veel dedelomsu’s kan het gebeuren dat de priester de mensen groet met: ‘De Heer zij met U’, maar niet teruggegroet wordt omdat men deze formule helemaal herkent als een groet. De dienst valt op dat moment dood omdat de dialoog die de band van eenheid moet scheppen niet op gang komt. Soms hoor je dat de priester na deze liturgische groet nog eens de mensen met de alledaagse formule groet: ‘goede morgen’. Dit is liturgisch niet juist. Als de gelovigen deze formule niet kennen dan moet dat door de liturgische catechese worden bijgebracht. Het is toch ook ondenkbaar dat de moslim zijn religieuze groet (salaam …) of de jood met zijn sjaloom deze zou inruilen voor ‘doei’ of ‘hallo’, waarom doen wij dat dan wel, nota bene in de eredienst? In de volgende editie gaan we nader in op de begroetingen in de dienst.
|
Communiqué van het CCK en de IRIS
|
Aangeboden aan de media op 18 juli 2010
Het voorspel tot de verkiezing van de voorzitter en de vice-voorzitter van de Nationale Assemblee en de verkiezing zelve, met het daarop volgende debat omtrent de wijze waarop de verkiezing heeft plaats gevonden, heeft in de samenleving grote beroering gebracht. Delen van de samenleving vinden een zeker genoegen in het spel dat gespeeld wordt, terwijl andere delen het totale gebeuren beschouwen als een moreel ethische neergang van ons volk dat steeds trots was op zijn harmonieuze en waardige wijze van omgaan met elkaar. Het volkslied is een afspiegeling van de waarden die wij als natie koesterden. Het CCK en de IRIS hebben in de aanloop naar de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2010 door publicaties van bijzondere boodschappen, televisieprogramma’s over waarden en normen, en lezingen en discussieprogramma’s de samenleving handvaten gegeven om tot een verantwoord stemgedrag te komen. Met verbijstering moet echter worden vastgesteld dat de idealen die zo fundamenteel zijn voor elke samenleving van onwaarde zijn geworden waardoor er grote onzekerheid over de toekomst is ontstaan. Het kiezersvolk van Suriname heeft de toekomst van ons land in eerste instantie in handen gelegd van 51 parlementariërs. Zij zullen naar eer en geweten, op basis van hun eed of belofte, een stem uitbrengen op een presidentskandidaat en een vice-presidentskandidaat die het waard moeten zijn leiders van het land te zijn. Het CCK en de IRIS doen een dringend beroep op het kiescollege gewetensvol te stemmen.
Paramaribo, 16 juli 2010
Namens het Comité Christelijke Kerken en de Interreligieuze Raad In Suriname
mgr. W. de Bekker, voorzitter CCK, lid IRIS
|
Maandag 26 juli H.H. Joachim en Anna, ouders van de h. maagd Maria Jer. 13, 1-11 Mt. 13, 31-35 |
 |
Dinsdag 27 juli Z. Titus Brandsma, priester en kerkleraar Jer. 14, 17-22 Mt. 13, 36-43
|
|
Woensdag 28 juli Jer. 15, 10-21 Mt. 13, 44-46
|
|
Donderdag 29 juli H. Marta Jer. 18, 1-6 Lc. 10, 38-42
|
|
Vrijdag 30 juli Jer. 26, 1-9 Mt. 13, 54-58
|
|
Zaterdag 31 juli H. Ignatius van Loyola, priester Jer. 26, 11-16 + 24 Mt. 14, 1-12
|
|
Zondag 01 augustus Pred. 1, 2 + 2, 21-23 Kol. 3, 1-5 + 9-11 Lc. 12, 13-21 (C) |
|
Lezing Uit het boek Genesis 18, 20-32
Daarom zei de HEER: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.’ Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. De HEER bleef echter nog bij Abraham staan. Abraham ging naar Hem toe en zei: `Wilt U werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U die dan verdelgen? Zult U de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt U toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt U toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’ En de HEER zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.’ Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult U dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?’ En de HEER zei: `Ik zal haar niet verwoesten als Ik er vijfenveertig vind.’ Opnieuw sprak Abraham tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.’ En de HEER zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.’ Nu zei Abraham: `Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog eens aandring; misschien zijn er maar dertig te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.’ Abraham zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.’ Abraham zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog één keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.’ |
 |
Lezing Uit de eerste brief aan Kolossenzen 2, 12-14
In de doop bent u met Hem begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God, die Hem uit de doden liet opstaan. Ook u, die dood was door uw overtredingen en als onbesnedenen leefde, heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze overtredingen vergeven. Hij heeft de oorkonde met al haar bepalingen, die in ons nadeel was en tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar uit ons midden weggenomen en aan het kruis genageld. |
|
Lezing Uit het evangelie volgens Lucas 11, 1-13 (C)
Eens was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij opgehouden was, vroeg een van zijn leerlingen Hem: `Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’ Hij zei tegen hen: `Wanneer je bidt, zeg dan: Vader, uw naam worde geheiligd, uw koninkrijk kome; geef ons elke dag het nodige brood en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is, en breng ons niet in beproeving.’ Daarop zei Hij tegen hen: ‘Stel dat je midden in de nacht naar een van je vrienden gaat om te vragen: “Vriend, leen me drie broden, want een vriend van me is na een lange reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” Zou die ander daarbinnen antwoorden: ‘Val me niet lastig. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed. Ik kan niet opstaan om ze je te geven’’? Welnee, hij staat op en geeft je wat je nodig hebt; is het niet omdat je zijn vriend bent, dan toch vanwege je vrijpostigheid. Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.’ |
|
God wacht: wij moeten vragen & Hij zal geven
|
In de joodse traditie is bidden een krachtige manier van omgaan met God. God wordt serieus genomen, herinnerd aan zijn of haar beloften. God is degene die als partner en soms als tegenspeler kan worden aangesproken. Mensen hoeven zich niet voor God te vernederen door door het stof te kruipen uit pure nederigheid. Met God mag je op een volwassen mondige manier omgaan.
Het gebed van Abraham om de redding van Sodom is een typisch joods gebed. Men zou hier zelfs kunnen spreken van onderhandelen met God. Abraham lijkt een hande-laar die het hoogste resultaat wil bereiken. Je zag het vroeger op de markt wanneer twee mensen aan het handelen waren, met handgeklap, weglopen, terugkomen, bieden en tegenbieden. Het onderhandelen van Abraham heeft alles te maken met de zorg van Abraham voor zijn familie in Sodom, met wie hij solidair is. Hij heeft er veel voor over om in zijn onderhandeling met God het onderste uit de kan te halen. Hij gaat terug tot tien rechtvaardigen. Tien is het voorgeschreven aantal mannen dat een joodse eredienst mogelijk maakt. Sommigen zeggen hierbij dat het jammer is dat hij niet nog verder teruggegaan is, bijvoorbeeld tot vijf. Dus hij heeft niet alles op het spel gezet. Maar hij gaat heel ver, meer dan mensen normaal zouden doen in hun gebed.
‘Vraag, en ge zult verkrijgen’, zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Ook hier wordt een pleidooi gehouden voor een volgehouden manier van bidden. En daarbij klinkt in de woorden over de vader die zijn zoon geen steen zal geven in plaats van brood, en geen slang in plaats van de vis waarom gevraagd wordt, iets door van de overtuiging dat God volstrekt serieus te nemen is. We hebben niet te doen met een zuinige oplichter die mensen met een kluitje in het riet stuurt. Je mag daarom eigenwijs en onbescheiden aandringen om iets goeds te mogen ontvangen.
Als model van gebed leert Jezus zijn leerlingen het Onze Vader. Lucas geeft een kortere versie dan Matteüs. Maar de strekking blijft gelijk: we bidden dat het rijk van God zichtbaar mag worden in onze wereld, en dat de hoop op gerechtigheid mogen ervaren en beleven, en dat gedaan zal worden wat iedere mens recht doet. Daarna bidden we voor onszelf, voor de meest noodzakelijke dingen van elke dag: brood om te leven, vergeving van schulden en dat wij bewaard mogen worden voor het kwaad. We kunnen die gebeden geestelijk op-vatten, vooral waar het over schulden gaat. Dan bidden we dat we bevrijd mogen worden van de innerlijke schuld die we oplopen door kwade gedachten en haatgevoelens. Met Lucas zouden we het ook materieel en politiek kunnen opvatten: de armen bidden dat zij bevrijd worden van de ondraaglijke schuldenlast, een last die drukt op de schouders van veel ontwikkelingslanden. En wij bidden dat wij vanuit het rijke Westen in staat mogen zijn schulden weg te nemen. We zouden zelfs kunnen bidden dat wij innerlijk vrij mogen worden van de schuld die wij meedragen door onze manier van uitbuiten van de armen in onze wereld. Wij worden vrij van schuld door de ander de schulden kwijt te schelden. Door zo te bidden lopen we nogal wat risico’s.
Paulus ziet de vergeving van schulden als een nieuw begin van leven. We gaan van de dood naar het leven doordat Jezus zich onze schuld heeft aangetrokken en zich solidair heeft getoond. Wie zich laat dopen en zich verenigt met de weg die Jezus is gegaan, zal zelf gaan werken aan vergeving en bevrijding. |
 |
|

|
|
Redactioneel 18 juli 2010
|
Liturgische catechese: de openingsritus
De openingsritus van de eucharis-tieviering heeft bij de vernieuwing van de liturgie een voorname plaats gekregen. Vroeger begon men biddend en zingend, waarbij aan de voet van het altaar de voetgebeden en de schuldbelijdenis gebeden werden, waarna de priester de altaartreden opging en het altaar kuste om vervolgens Kyrie en Gloria te zingen en het openingsgebed te bidden. Al die tijd werden de mensen niet begroet of uitdrukkelijk verwelkomd. Er was niet de beleving van een op elkaar gericht zijn, maar een zich biddend richten tot God. Met name Psalm 43 speelde hierin een grote rol met de antifoon uit vers 4:’Introibo ad altare Dei, ad Deum qui laetificat iuventutem meam’, ‘ik ga op naar het altaar van God, de God die mijn jeugd verblijdt’. In de oude liturgie was iedereen zich ervan bewust dat wij ons samen richten tot God. Je hoort wel eens zeggen dat de priester de mis vierde met zijn rug naar het volk. Maar dat is een verkeerde benadering. We zouden eerder moeten zeggen dat de priester en het volk het gezicht in de zelfde richting hadden, namelijk op God gericht. Met de vernieuwing van de liturgie draaide deze houding 180 graden. De priester staat niet meer met zijn met zijn blik op het allerheiligste of zoals we dat ook zeggen met zijn ‘rug’ naar het volk, maar kijkt het volk aan en spreekt het volk toe. Dat heeft zijn mooie kanten van participatie en saamhorigheid maar loopt ook het gevaar dat er teveel nadruk op de priester komt te liggen die als het ware de dienst moet maken. Je hoort dat soms in de kritiek of de complimenten die een priester krijgt. ‘Pater dat is een mooie dienst die u hebt afgedraaid’, of ‘pater u had een mooie dienst’, of ‘die pater heeft er weer niets van gebakken’. Allemaal uitdrukkingen die verraden dat de priester het gevaar loopt als entertainer gezien te worden, die de dienst moet maken. Hoewel de priester een wezenlijke taak heeft in de liturgie is het nooit ‘zijn mis’ of ‘zijn show’. We komen samen om ons tot God te richten, iedereen heeft zijn eigen taak en samen vieren wij. Wie niets meeneemt naar de liturgie aan geloof, verwachtingen, devotie en gebed, zal de dienst vlug saai vinden. In de vernieuwde liturgie van de eucharistie begint de viering met de intocht. Celebranten en assistenten treden binnen in een opgang naar het altaar, een treden voor Gods majesteit, terwijl ondertussen een psalm of lied als intredezang gezongen wordt. Dan, na de buiging en de altaarkus, wordt in plechtiger vieringen het altaar bewierookt. Het zijn gebaren van begroeting en huldiging van Christus door zijn bruid, de kerk. Dan maakt de priester het kruisteken, hij wendt zich tot de gemeenschap, begroet haar met de woorden uit de tweede brief van Paulus aan de Korintiërs:’De genade van onze Heer Jezus Christus, de liefde van God en de gemeenschap van de heilige Geest zij met u’ (2 Kor.13,13). Dan leidt hij de liturgie in en nodigt de aanwezigen uit de schuldbelijdenis mee te bidden. Er zijn kerken in ons bisdom die veel werk maken van de intocht. Deze is zeer feestelijk en iedereen kan aanvoelen dat er iets heiligs begint. Het viel pater Kross op dat in Duitsland waar discipline zeer hoog wordt aangeschreven de misdienaars precies 1 minuut voor de tijd klaarstonden en precies op de aangegeven tijd werd er gebeld en kwam de processie in beweging. In Lourdes duurt de processie in de grootse onderaardse kerk waar er 30.000 gelovigen in kunnen, wel een kwartier. Het vraagt dus een enorme discipline om een kwartier voor de aanvang van de dienst met de processie te beginnen om precies op de aangegeven tijd het altaar te kussen en plaats te nemen. Bij ons gebeurt het wel eens dat misdienaars op het laatste ogenblik zich nog aankleden of dat de lectoren of de dienstleider nog niet klaar zijn. Dat zijn allemaal zaken die de plechtigheid ontsieren. Wij hebben als kerk meer dan anderen de verantwoordelijkheid om er zorg voor te dragen dat men in Suriname op tijd begint. De processie moet waardig zijn. Dat moet tot uitdrukking komen in manier waarop het kruis, het wierookvat en het lezingenboek worden gedragen. Het moet ook tot uiting komen in de kleding en de manier van lopen. Het openingslied moet zodanig gekozen zijn en gezongen worden dat het de processie kan begeleiden. We brengen immers op symbolische wijze tot uitdrukking dat we als volk van God onderweg zijn naar het hemelse Jeruzalem. Uit de officiële rubrieken blijkt dat het de priester is die de dienst opent met een kruisteken en het volk begroet. In de jaren zeventig hebben we in Suriname de functie van dienstleider ingevoerd. Het wordt tijd dat we ons opnieuw uitspreken over deze functie. Het komt de priester toe de viering te openen en de mensen te begroeten. De liturgie duldt geen nodeloze herhalingen en verdubbelingen. Als de dienstleider iedereen reeds begroet en de inleiding houdt doet dat afbreuk aan de eigenlijke taak van de priester. We vinden het toch normaal dat in een vergadering de voorzitter de hamer neemt, slaat en zegt:‘Ik open hierbij de vergadering’, waarom zou bij een plechtige vergadering van Gods volk, iemand anders te opening mogen doen? In andere bisdommen waar de functie van dienstleider onbekend is, is het de cantor die de mensen kort aanspoort om het openingslied te zingen.
|
zo 18 Zestiende zondag door het Jaar ma 19 Priesterwijding pater Waldi Wong Loi Sing – 40 jr.
|
 |
Gebedsintenties van de paus
|
Dat in alle landen van de wereld de verkiezing van regeringsleiders moge geschieden met rechtvaardigheid, inzichtelijkheid en eerlijkheid, waarbij de vrije keuze van burgers gerespecteerd wordt.
Dat christenen overal, waar vooral in grote stedelijke centra, ernaar mogen streven om effectief bij te dragen aan de bevordering van culturele vorming, rechtvaardigheid, solidariteit en vrede.
|
 |
Door P. Tjon Kiem Sang
Onlangs stonden onze dagbladen weer bol van de slechte slagings-resultaten op de middelbare scholen. De stakingen in het afgelopen schooljaar worden aangehaald als een van de factoren die daartoe hebben geleid. Het is best te begrijpen dat de onderbreking en de onrust die een lerarenstaking veroorzaakt in het onderwijsproces een negatieve invloed heeft op de prestaties van de studenten. Maar er zijn natuurlijk meerdere factoren die bijdragen aan goede of slechte resultaten op onze scholen. De recente verkiezingen, en de heftige propagandastrijd die daaraan voorafging, hebben ook wel degelijk effect gehad op het onderwijsproces, aangezien die ook gezorgd hebben voor onderbreking en onrust.
Toch hangt heel veel ook af van de instelling en de inzet van de student zelf. Er zal altijd wat te doen zijn in ons land dat het onderwijsklimaat niet ten goede komt. Daarnaast spelen de persoonlijke omstandigheden van een student ook een rol. En toch zijn er jongeren die, ondanks alle moeilijkheden, onderbrekingen en onrust, het klaarspelen om hun studie op bijzondere wijze af te ronden. Het is jammer dat in de media vooral de aandacht wordt gevestigd op de slechte resultaten en zij die het niet gehaald hebben. Wij moeten echter niet vergeten dat er heel veel jongeren zijn die het wel halen, en soms met prachtige resultaten.
Otie Vola is er zo eentje. Als ik hem op donderdagochtend bij McDonald’s tegenkom, straalt hij met een lach van oor tot oor. Ik krijg geen kans om maar zelf iets te vragen, want hij kan moeilijk zijn vreugde bedwingen: hij is geslaagd van het IMEAO, en nog wel als beste! Zijn vreugdevolle stemming werkt aanstekelijk en ik nodig hem meteen uit om zijn verhaal met Omhoog te delen. Een succesverhaal, naast alle andere deprimerende nieuwsberichten, maakt de dag opeens weer prettig.
Otie is twintig jaar oud en komt uit een gezin van elf kinderen. Als zesde kind is hij dus precies het middelpunt van het gezin. Ik en vele anderen kennen Otie als actieve jongere van de parochie Moeder van de Goede Raad te Welgedacht-A. Daar is hij misdienaar en jeugdleider, maar ook is hij actief in de schoonmaak van de kerk en lid van de jongerenkerngroep van Pastoraal Gebied Wanica-Para. Maar daar blijft het niet bij: Otie wil bij alles van de kerk betrokken zijn en doet dat met volledige overgave. “Ik ken God op mijn eigen, bijzondere manier. Hij geeft mij alle steun en kracht, en Hij stuurt mensen op mijn pad om mij te helpen,” vertelt Otie. Het is dat diep geloof in God die hem heel nabij is dat Otie heeft geholpen om te komen waar hij nu is.
Thuis bij zijn moeder was het altijd een drukte: met 11 kinderen is dat best te begrijpen. Dat maakt het niet makkelijk om geconcentreerd te studeren. Vooral toen Otie besloot om zich heel serieus op zijn studie te werpen. In zijn jongere jaren was Otie vooral de stoere jongen die niet veel van school hield. Hij was de grappenmaker op school en een van de populaire jongens. Dit gedrag zette zich voort totdat een leerkracht in de vierde MULO opmerkte dat het jongens als Otie zijn die het nooit ver schoppen in de maatschappij. Hij was zo onder de indruk van die opmerking dat hij besloot die leerkracht het tegendeel te bewijzen. Hij begon toen net met zijn studie aan het IMEAO en wilde dan ook serieus studeren.
Otie wist van zichzelf dat hij best wel de hersenen had om goed te studeren. Dat ziet hij trouwens ook bij zijn broers en zusters. “Mijn moeder heeft allemaal kinderen die goed kunnen leren.” Maar een goed stel hersenen en een sterke wil om te studeren waren niet voldoende. Otie had ook wat rust nodig in zijn leven. Die rust vindt hij in de kerk. Daar voelt hij zich thuis, daar komt hij tot rust. Daar ontmoet hij God die alles voor hem is. “De relatie met God ben ik bewust aangegaan. Ik had rust nodig in mijn hart. Met God heb ik een intieme relatie.” Indrukwekkende woorden voor een jongeman van 20 jaar. God is zijn levensbron en elke keuze die hij in zijn leven maakt, doet hij met God.
Behalve de persoonlijke relatie met God die hem heeft gesterkt in het behalen van zijn studiedoelen, gelooft Otie ook dat God mensen op zijn pad heeft gestuurd die hem hebben geholpen. In het bijzonder Dennis, die hem niet alleen een plek bood waar hij in alle rust kon studeren, maar ook als stuwende kracht achter hem aan heeft gezeten om zijn doel te bereiken. Voor Otie is Dennis een held en voorbeeldfiguur. Daarnaast is Otie ook zijn andere vrienden uit de parochie heel dankbaar, onder wie Astra en Armando. Bovenal is Otie zijn moeder heel erg dankbaar. Zij is voor hem het voorbeeldfiguur van opoffering en doorzetten. Hij houdt zielsveel van zijn moeder en heeft enorm veel bewondering voor de wijze waarop ze toch steeds klaarspeelt om voor haar gezin te zorgen. Otie weet alleen nog niet hoe hij zijn moeder moet zeggen hoeveel hij van haar houdt. Zijn vader zit in het buitenland, van waaruit hij probeert zijn gezin te onderhouden. Otie mist zijn vader heel erg, want die is voor hem een leidraad. Het liefst ziet hij de band tussen hem en zijn vader hechter worden.
Otie heeft reeds besloten waar hij mee verder gaat in zijn studie: een HBO-opleiding in management, economie en recht. Hij heeft al rondgekeken wat de mogelijkheden zijn en de opleiding die hem aanspreekt zal hem wel minstens € 1,000 per jaar kosten. Maar dat schrikt Otie niet af. Hij begint nu al te zoeken naar manieren om dat geld bij elkaar te krijgen.
Met zijn vastberadenheid, geloof in zichzelf en toewijding aan God en kerk wil Otie vooral een voorbeeld zijn voor andere jongeren. “Jongeren onderschatten zichzelf vaak. Met mijn manier van leven, mijn werk voor de Heer wil ik andere jongeren beïnvloeden en ze motiveren. Ik maak me zorgen om de manier waarop jonge mensen hun leven verpesten. Seks kan wachten. En ze moeten weten dat als ze een misstap maken, dat het hun eigen keuze is.”
Op het moment dat ik met Otie het interview heb, moet hij er nog even aan wennen dat hij als bestgeslaagde van zijn school is geëindigd. “Het is niet te geloven. Het moet nog tot me doordringen.” Otie, je mag het geloven, want je hebt het verdiend. En als er één doel is dat je zeker zal bereiken, is het wel dat jij tot inspiratie zal zijn voor vele anderen.
|
AgendaWK 2010: een terugblik
|
GOD TROOST ZOWEL WINNAARS ALS VERLIEZERS
Hebben zo zitten kraken voor Oranje, afgelopen zondagmiddag, wel beseffend dat Spanje een geduchte tegenstander zou gaan worden. Een Europees kampioen nog maar pas geleden, gaat zich niet zonder slag of stoot laten inblikken en toch…....voor de Nederlandse leeuw was er een gerede kans, deze keer. Na ‘74 tegen West Duitsland en ‘78 tegen Argentinië, verdiende Oranje een keertje een “brik” en tegen Spanje moest het toch lukken. Of zou die verdomde inktvis - een zekere Paul die nota bene in Duitsland verkoos te wonen! - dan toch gelijk krijgen? En warempel, ja, Paul kreeg gelijk, al was het pas vier minuten voor het eind van de verlenging. Daarna mocht Oranje zijn wonden gaan likken, want er zijn maar weinigen die in vier luttele minuten een gelijkmaker weten te scoren tegen een hecht en homogeen team als van Spanje. De derde keer dat Oranje als nummer twee eindigt. In een toernooi waarin de enige plaats die echt telt die van numero uno is!
Zie nog zo het contrast tussen uitgelaten euforie en gebroken, teleurgestelde en betraande gezichten. Weer een droom aan gruzelementen. Het zag er zo veelbelovend uit en toch... er kan maar één winnaar zijn! Het prachtige was de grote solidariteit die sommige collega’s van de verslagen partij lieten zien en de troost die de ze ongevraagd kwamen aanbieden aan hun gebroken en verslagen makkers. Prachtig zoals de mannen even langs liepen en de ander een brasa of een schouderklopje gaven. Zo van: kop op, boy, dit is niet het eind van de wereld, man! En dan heb ik het niet alleen over de finale, maar in alle belangrijke wedstrijden waarin natuurlijk één winnaar werd en de andere partij verliezer. Toen gingen mijn gedachten onwillekeurig naar onze Meester en Heiland, Jezus Christus, die vooral zo in elkaar zat (en nog steeds zit!), dat hij troost en bemoediging kwam brengen, voor de kleinen en verdrukten en gekreukten van onze samenleving. Precies zoals we dat op de tv zagen tijdens dit wereldevenement. Heel ontroerend vond ik dat, mannen die hun collega’s - hoe klein ook - een beetje troost en bemoediging brachten. Het is maar een wedstrijd, slik het hard weg, er komen betere tijden, geloof me! Zo is het in het “echte” leven ook: dagen van winst en euforie en uitgelatenheid en dagen van verlies en verslagenheid, wanneer het lijkt alsof onze wereld in elkaar stort, alsof de bodem onder je voeten wordt weggetrokken. Wees er dan verzekerd van dat Christus ons het meest nabij is, voor allen die in Hem geloven en Hem in hun leven toelaten, open staan voor zijn troost en bemoediging en blijde boodschap. Daar kan geen wereldtitel tegenop!
Henri Bettencourt
|
Maandag 19 juli Mich. 6, 1-8 Mt. 12, 38-42
|
 |
Dinsdag 20 juli Mich. 7, 14-20 Mt. 12, 46-50
|
|
Woensdag 21 juli Jer. 1, 1-10 Mt. 13, 1-9
|
|
Donderdag 22 juli H. Maria Magdalena Jer. 2, 1-13 Joh. 20, 1 + 11-18 |
|
|
Vrijdag 23 juli H. Birgitta, kloosterlinge,
patrones van Europa Gal. 2, 19-20 Joh. 15, 1-8
|
|
Zaterdag 24 juli Jer. 7 1-11 Mt. 13, 24-30 |
|
Zondag 25 juli Gen. 18, 20-32 Kol. 2, 12-14 Lc. 11, 1-13 (C) |
|
Lezing Uit het boek Gen. 18, 1-10a
Eens verscheen de HEER aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat. Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep en zei: `Indien ik genade heb gevonden in uw ogen, mijn heer, ga dan niet aan uw dienaar voorbij. Ik zal water laten halen; was uw voeten en rust hier onder de boom. Nu u bij uw dienaar bent zal ik een stuk brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis.’ Ze zeiden: ‘Doe dat. Heel graag.’ Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: ‘Neem gauw drie schepel fijn meel, kneed het en bak er koeken van.’ Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel toe te bereiden. Toen bracht hij hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom. Toen vroegen ze hem: ‘Waar is Sara, uw vrouw?’ Hij antwoordde: ‘Daar, in de tent.’ Toen zei Hij: ‘Het volgend jaar, rond deze tijd, kom Ik bij u terug.’ |
 |
Lezing Uit de brief aan Kol. 1, 24-28
Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor u mag lijden en in mijn lichaam mag aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten bate van zijn lichaam, dat is de kerk. Haar dienaar ben ik geworden krachtens de taak die mij door God is gegeven met het oog op u, om namelijk het woord van God te brengen in heel zijn volheid: om het geheim te verkondigen dat verbor- gen was, van alle eeuwigheid en alle generaties af, maar dat nu geopenbaard is aan zijn heiligen. Aan hen heeft God de rijkdom van de heerlijkheid van dit geheim onder de heidenvolken bekend willen maken. En het luidt: ‘Christus, de hoop op de heerlijkheid, is in u.’ Hem verkondigen wij, wanneer wij iedereen vermanen en onderrichten, met alle wijsheid die ons gegeven is, om iedereen zonder onderscheid in Christus tot volmaaktheid te brengen. |
|
Lezing Uit het evangelie volgens Lc. 10, 38-42 (C)
Op hun reis ging Hij een dorp in. Een vrouw, Marta genaamd, ontving Hem. Zij had een zuster die Maria heette. Die kwam aan de voeten van de Heer zitten en luisterde naar zijn woorden. Marta had het heel druk met bedienen. Ze ging naar Jezus toe en vroeg: `Heer, laat het U koud dat mijn zuster mij alleen laat bedienen? Zeg haar dat ze mij komt helpen.’ De Heer gaf haar ten antwoord: `Marta, Marta, je maakt je bezorgd en druk over van alles, maar slechts één ding is nodig. Maria heeft het beste deel gekozen en dat zal haar niet worden ontnomen.’ |
|
Het beste is altijd te luisteren naar de stem van God
|
Gasten ontvangen en het hun naar de zin maken en er tegelijkertijd voor zorgen dat er een goed gesprek plaatsvindt. Mensen die gezellig eten en drinken en die zich open en van harte met elkaar onderhouden over alles wat hen bezighoudt. Daar gaat het over in de eerste en de derde lezing. Voor mij is zo een maaltijd volheid van leven. Wat het leven de moeite waard maakt, zinvol maakt, zie je daar. Abraham springt op en verwelkomt zijn onverwachte gasten met grote openheid en hartelijkheid. Je bent welkom. Ga zitten op de meest schaduwrijke plek onder de boom. Hij gaat vlug naar Sara en zegt haar snel broodkoeken te maken. Hij gaat haastig naar zijn knecht, neemt een kalf van de ploegrunderen en laat dit slachten en klaarmaken. Waarom zo’n haast? Was het om snel weer bij zijn gasten te kunnen zijn en zich met hen te kunnen onderhouden? Hij was immers de gastheer. Totdat het eten klaar is, zal hij met hen gepraat hebben, maar pas onder het eten zegt de bezoeker hem iets wat Abraham en Sara’s leven diepgaand zal beïnvloeden. Ook het leven van zijn stam, zijn volk en ons leven in deze tijd zullen erdoor getekend worden. Abraham en Sara zullen op hun hoge leeftijd nog een zoon ontvangen – toekomst, nieuw begin, Gods belofte waargemaakt.
Telkens wisselen enkelvoud en meervoud wanneer het gaat over de gast(en). Er komen drie mannen, en dan weer is er sprake van de bezoeker en van JHWH die spreekt. Later heeft men gezegd, dat JHWH met twee engelen bij Abraham op bezoek was. Dit wordt ondersteund door het vervolg van het verhaal. Eerst gaan de twee mannen, terwijl JHWH nog met Abraham blijft praten, naar Sodom. In Genesis 19,15 zijn het engelen. In iedere gast ontvangen wij JHWH en zijn engelen, leert de traditie ons. Gastvrijheid staat zo hoog aangeschreven dat er gezegd wordt: wie een gast ontvangt, ontvangt God zelf. Aan het eind van het verhaal, een gedeelte dat we niet lezen, blijkt dat de drie mannen op reis zijn om een moeilijke zaak te volbrengen. Ze zijn op weg naar Sodom en Gomorra om te zien wat zich daar voltrekt en de steden zo nodig te veroordelen en te verwoesten. De inwoners van Sodom willen misbruik maken van de twee mannen (engelen) die door Lot, Abrahams neef, uitgenodigd zijn als zijn gasten in zijn huis te verblijven. Zelfs tegen de gastvrijheid wordt in Sodom grondig gezondigd.
Jezus en zijn leerlingen worden ontvangen door Marta. Zij zal hen hartelijk welkom geheten hebben. Ook dit bezoek is onverwacht. Er staat in het verhaal immers dat Jezus een dorp binnenging. Zomaar een dorp, denk ik dan. Hij ging een huis binnen. Zomaar een huis, denk ik, waar Hij welkom was met Zijn leerlingen. Oussoren vertaalt Lucas 1,38 in de Naardense Bijbel: ‘Als ze voortgaan, komt hij aan in zomaar een dorp; zomaar een vrouw met de naam Marta ontvangt Hem in haar huis’. In het verhaal dat hieraan voorafgaat, over de tweeënzeventig leerlingen die Jezus uitzendt, zegt Hij ook dat ze moeten blijven in het huis waar ze binnengaan en waar men hen ontvangt. (Lucas 10, 7-8). Lucas legt er nadruk op dat ze geen tijd moeten verdoen met zoeken naar verzorging en onderdak. Zie de rode draad bij de veertiende zondag door het jaar. Hun aandacht moet uitgaan naar de verkondiging van het rijk Gods.
Marta gaat aan de slag om haar gasten van alles te voorzien wat zij nodig hebben aan eten en drinken. Wanneer het eten opgediend moet worden, neemt dat haar zo in beslag dat ze een beroep doet op Jezus. Hij moet Maria, haar jongere zus, ertoe aanzetten haar te komen helpen met opdienen. Jezus geeft Marta dan een antwoord dat ze niet verwacht zal hebben. In alle geval was ze op zo’n antwoord niet uit. Oussoren vertaalt Lucas 10, 41-42 in de Naardense Bijbel ‘Marta, Marta, je hebt de zorg en de drukte over vele dingen; aan weinig is gebrek, of maar aan één ding!’. Wat kan dat zijn? In de loop van de tijd hebben veel exegeten hieraan een verschillende uitleg gegeven. Het is toegepast op het actieve en contemplatieve leven, op het Oude en het Nieuwe Testament, het martelaarschap, de armoedebeweging, het monikkendom. ‘Iedere vorm van Christusvervolging heeft zich wel eens op deze tekst beroepen. En nog met recht ook! Want als iemand in een bepaalde levensvorm zijn roeping en zijn geluk gevonden heeft, is dat voor hem de beste! Maar wat is dat ene ding nu waar maar gebrek aan is, en dat noodzakelijk is in alle levensvormen? Maria zit aan Jezus’ voeten. Hiermee werd in de tijd van Jezus en in de eerste christentijd bedoeld dat iemand leerling was van een rabbi, intens naar deze leraar luisterde en in zijn woorden de wereld zag opengaan. Bij alle verzorging van mensen, van gasten, bij alle hulpbetoon, blijft het nodig open te staan voor je grondinspiratie en aan die inspiratie in openheid tijd te besteden. In alles je grondinspiratie blijven volgen en beleven, raadt Jezus Marta en ons aan. Hij raadt het mannen en vrouwen aan. Zij beiden zijn leerlingen, lezen we bij Lucas. Het lijkt dan ook niet goed alleen mannen van Jezus te laten getuigen of alleen mannen te zien als vertegenwoordigers van Jezus. Vrouwen zijn dat net zo.
Ook Jezus en zijn leerlingen zijn op reis, net als Abraham bezoekers. Zij zijn blij dat Lucas op weg is naar Jeruzalem. Wij weten dat Jezus daar veroordeeld en gekruisigd zal worden. Van gastvrijheid onderweg genieten, zelfs op weg naar een oordeel, zelfs op weg naar de afronding van je leven, is leven in het koninkrijk van God.
|
 |
|