Artikelindex
OMHOOG
15aug2010
08 augstus 2010
01.08.2010
25.07.2010
Alle pagina's

 

 

Redactioneel 25 juli 2010
De strijd tegen de draak
Door P.  Tjon Kiem Sang

Over drie weken, op zondag 15 augustus, vieren wij het feest van de Tenhemelopneming van Maria. Met dit feest gedenkt de Kerk dat de heilige Maagd Maria door God in de hemel werd opgenomen. In 1950 werd dit geloofsgegeven door paus Pius XII tot dogma verklaard en in het document ‘Lumen Gentium’ van het Tweede Vaticaans Concilie is dit dogma als volgt verwoord: “Tenslotte is de onbevlekte Maagd, gevrijwaard van ieder smet van de Erfzonde, in het voltooien van haar aardse levensloop, met lichaam en ziel in de hemelse heerlijkheid opgenomen en door de Heer verheven tot koningin van het heelal om zo gelijkvormiger te worden aan haar Zoon, de Heer der heren en de overwinnaar van zonde en dood.” (LG 15)
Inmiddels zijn wij zestig jaren verder en is de viering van dit feest inmiddels een groots gebeuren geworden in ons Bisdom. De Sint-Bonifaciusparochie en de Sint-Rosaparochie organiseren op die de dag de traditionele Mariaprocessie.
Wat betekent dit feest voor ons anno 2010? Een homilie van paus Benedictus XVI gaat in op deze vraag en kan voor ons in deze dagen bijzonder houvast bieden.

Strijd tussen liefdes
In zijn grote werk “De Stad Gods” zegt de heilige Augustinus dat heel de menselijke geschiedenis, de geschiedenis van de wereld, een strijd is tussen twee liefdes: de goddelijke liefde, die gaat tot aan het verliezen van jezelf, tot aan de gave van jezelf toe, en de eigenliefde, die gaat tot aan het verachten van God, tot aan de haat jegens de anderen toe. Zo’n zelfde duiding van de geschiedenis als strijd tussen twee liefdes, tussen de liefde en het egoïsme, komt ook naar voren in de lezing van die dag uit Apokalyps 11,19 – 12, 10. Hier verschijnen die twee liefdes in twee grote gestalten. Allereerst is er de geweldig sterke rode draak, met een indrukwekkend en verontrustend vertoon van een macht zonder genade, zonder liefde, van absolute zelfzucht, van terreur en geweld.

De draak en de weerloze vrouw
Op het moment waarop de heilige Johannes de Apokalyps schreef, werd voor hem die draak concrete werkelijkheid in de macht van de Romeinse antichristelijke keizers, van Nero tot Domitianus. Deze macht leek onbegrensd; de militaire, politieke, propagandistische macht van het Romeinse rijk was van dien aard dat daartegenover het geloof, de Kerk op een weerloze vrouw leek, zonder de mogelijkheid om te overleven, laat staan te overwinnen. Wie kon zich tegen deze alomtegenwoordige macht te verzetten, die tot alles in staat leek? En toch weten we dat uiteindelijk de weerloze vrouw heeft overwonnen, dat niet het egoïsme, niet de haat heeft overwonnen; dat de liefde van God heeft overwonnen en het Romeinse rijk zich geopend heeft voor het christelijk geloof.

Antichristelijke dictatuur
tegenover de Kerk
De woorden van de Heilige Schrift overstijgen steeds het historisch moment. Zodat deze draak niet alleen verwijst naar de antichristelijke macht van de vervolgers van de Kerk in die tijd, maar naar de materialistische antichristelijke dictaturen van alle tijden. Wij zien hoe deze macht, deze kracht van de rode draak opnieuw werkelijkheid is geworden in de grote dictaturen van de vorige eeuw: de dictatuur van het nazisme en de dictatuur van Stalin hadden alle macht en drongen door tot in iedere, ja tot in de uiterste hoek. Het leek onmogelijk dat op de lange termijn het geloof zou kunnen overleven tegenover zo’n sterke draak, die de kind geworden God en de Vrouw, de Kerk, wilde verslinden. Maar in werkelijkheid was ook in dit geval uiteindelijk de liefde sterker dan de haat.

De hedendaagse draak
Ook vandaag de dag is er de draak, op verschillende nieuwe manieren. Hij is er in de vorm van materialistische ideologieën die zeggen: “Het is absurd aan God te denken; het is absurd de geboden van God te onderhouden; dat is iets van het verleden. Het enige dat telt, is het leven voor zichzelf te leven, alles te pakken wat we in deze korte tijd van leven pakken kunnen. Alleen de consumptie telt, het egoïsme, het vertier”. En opnieuw lijkt het absurd, ja onmogelijk zich te verzetten tegen deze dominante mentaliteit die met zoveel kracht middels de media wordt gepropageerd. Het lijkt onmogelijk vandaag de dag nog te denken aan een God die de mens geschapen heeft die een kind geworden is en die de ware heerser van de wereld zou zijn.

Maria bekleed met de zon
Ook nu lijkt deze draak onover-winnelijk, maar ook nu blijft het waar dat God sterker is dan de draak, dat de liefde wint en niet het egoïsme. Na zo de verschillende historische gestalten van de draak te hebben beschouwd, kijken we nu naar het andere beeld: de vrouw, bekleed met de zon en de maan onder haar voeten, en door twaalf sterren omgeven. Ook dit beeld heeft veel dimensies. Een eerste betekenis is ongetwijfeld dat het Onze Lieve Vrouw is, Maria bekleed met de zon, dat wil zeggen met God, geheel en al; Maria die geheel en al leeft in God, omgeven en doordrongen van het licht van God. Omgeven door twaalf sterren, dat wil zeggen door de twaalf stammen van Israël, door heel het Volk van God, door heel de gemeenschap van de heiligen, en aan haar voeten de maan, beeld van de dood en van de sterfelijkheid. Maria heeft de dood achter zich gelaten; zij is helemaal bekleed met het leven, zij is met lichaam en ziel opgenomen in de glorie van God en zo, geplaatst in de heerlijkheid en de dood overwonnen hebbend, zegt ze tot ons: “Vat moed, aan het eind overwint de liefde! Mijn leven bestond erin te zeggen: Ik ben de dienstmaagd van God. Mijn leven was gave van mijzelf, voor God en voor de naaste. En dit leven van dienstbaarheid komt nu aan bij het ware leven. Hebt vertrouwen, hebt de moed om zo te leven, ook jullie, tegen alle dreigingen in van de draak”.

De pijn van de Kerk
Dit is de eerste betekenis van de vrouw die Maria uiteindelijk geworden is. De “vrouw bekleed met de zon” is het grote teken van de overwinning van de liefde, van de overwinning van het goede, van de overwinning van God. Het grote teken van vertroosting. Maar deze vrouw die lijdt, die moet vluchten en die baart met een schreeuw van pijn, is vervolgens ook de Kerk, de pelgrimerende Kerk van alle tijden. In alle generaties opnieuw moet zij Christus baren, hem onder grote smart en onder lijden ter wereld brengen. In alle tijden wordt zij vervolgd, leeft zij als het ware in de woestijn, vervolgd door de draak. Maar in alle tijden leeft de Kerk, het Volk van God, ook van het licht van God en wordt zij, zoals het Evangelie zegt, door God gevoed, in zichzelf gevoed met het brood van de Heilige Eucharistie. En zo, in al haar beproevingen, in al de verschillende situaties van de Kerk in de loop der tijden, in de verschillende delen van de wereld, overwint zij door te lijden, en is zij tegelijkertijd de aanwezigheid, de garantie van de liefde van God tegen alle ideologieën van de haat en van het egoïsme in.

Verliezen om te vinden
Zeker, we zien dat ook vandaag de dag de draak de God wil verslinden die een kind geworden is. Maar vrees niet om deze ogenschijnlijk zo zwakke God. De strijd is al gewonnen. Ook vandaag de dag is deze God sterk: Hij is de ware kracht. Zo is het feest van Haar die ten hemel opgenomen is, de uitnodiging om vertrouwen te hebben in God en ook een uitnodiging om Maria na te volgen in wat zij zelf heeft gezegd: Ik ben de dienstmaagd van de Heer, ik stel me geheel ter beschikking van de Heer. Dit is de les: er op uit trekken; ons leven geven en niet nemen. Juist zo zijn we op de weg van de liefde die een zich verliezen betekent, maar een zich verliezen dat in werkelijkheid de enige weg is om zich waarlijk te vinden, om het ware leven te vinden.

Als wij naar Maria kijken, die ten hemel is opgenomen en ons door haar laten bemoedigen tot het geloof en tot het feest van de vreugde, dan weten wij: God overwint. Het ogenschijnlijk zwakke geloof is de ware kracht van de wereld. De liefde is sterker dan de haat.

 

 

Agenda
zo 25    Zeventiende zondag door het Jaar
di 27    Gebeente Petrus Donders overgebracht naar Kathedraal – 110 jr.



 

Liturgische catechese de openingsritus 2

Het openingslied:

Een ritus heeft een heel bepaalde functie. Doordat een rite gemeengoed is geworden kan het gebeuren dat we de functie vergeten. Soms kiest men bijvoorbeeld een openingslied dat helemaal niet aan de liturgische functie beantwoordt. Zelfs Omhoog maakte zich hieraan schuldig door in de rubriek suggesties voor de zondag onzorgvuldig liederen op te nemen. Intussen is hier gelukkig al alle aandacht voor en zijn de nodige aanpassingen gepleegd.

De eerste functie van het openingslied is: ‘de viering te openen en de eenheid van de aanwezigen te bevorderen’. Uit ervaring weten we dat je een lied moet kiezen dat bekend is en gemakkelijk te zingen. Kiezen wij een onbekend lied dan slaan we de viering lam. Als in een kerk met honderd mensen twee zingen dan mis je de functie, namelijk dat we door het zingen samen iets doen om één te worden. Samen zingen maakt de monden en de harten open, je lichaam komt in beweging. Zo maken wij ons gereed om als gemeenschap en niet enkel als individu te kunnen vieren. Een tweede functie van het openingslied is om de gelovigen in te leiden in het mysterie van de liturgische tijd of het feest door de inhoud of het liturgisch gebruik. Als men een bepaald lied voor de advent reserveert, krijgt het een signaal functie. Zodra we dit lied zingen komen wij de sfeer van advent. Het is verkeerd om dit lied ook in de kersttijd te zingen. De signaalfunctie mogen we niet onderschatten. De reclameboodschappen maken hier handig gebruik van. Door een bepaalde melodie te koppelen aan een product en het steeds te herhalen, maken de mensen automatisch een associatie tussen tune en product. Je kunt dit al zien in heel kleine kinderen. Een openingslied is meestal ook als zodanig gecomponeerd. Heel erg is het als men de dienst met een meditatielied als ‘hear o Lord’ opent, toch gebeuren zulke dingen. Onze zangbundel heeft als zwak punt dat er weinig liturgische liederen zijn die beantwoorden aan de verschillende liturgische functies in de eucharistie. De nieuwe Jubilate zal daarin verandering brengen.

Het kruisteken

Na het lied maken ‘de priester en heel het volk’ het kruisteken. Een tweede symboolgebaar, het wachtwoord van katholieken die elkaar herkennen aan dat trinitarisch teken. Tijdens de wereld kampioenschappen voelen we meteen de herkenning als een voetballer uit Brazilië of elders een kruisteken maakt. We denken dan: ‘die is ook één met ons!’ Het kruisteken moet daarom heel bewust gemaakt worden. Hier schuilt ook het gevaar dat een bepaalde rite versleten kan raken en de mensen aan de functie voorbijgaan. Bij de woorden ‘In de Naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest’, weten we dat dit het signaal is voor: nu begint het, nu moeten we opletten en is het ernst. Om de rite levendig te houden en heel zijn geloofsdimensie terug te geven zouden we het af en toe heel plechtig kunnen doen of met een korte inleiding de focus terugbrengen. Vooral met schoolkinderen waar het automatisme is ingestampt, zie je wel eens dat het kruisteken maken een heel andere signaalfunctie heeft gekregen. Het kruisteken is dan een teken geworden dat de pauze is aangebroken en dat we hongerig en wild mogen doen. We dienen er voor te waken dat we het kruisteken altijd met heel veel eerbied maken en dat het slechts die functies oproept die de kerk bedoelt.

De begroeting

Daarna geeft de priester door de begroeting aan de bijeengekomen gemeenschap te kennen, dat de Heer tegenwoordig is. Hij zegt: ‘De Heer is met U’. Het volk antwoordt ‘en met uw Geest’. De geloofsgemeenschap is een organisch geheel. Dat wil deze dialoog zeggen. Een dialoog kent altijd participanten. Hier gaat het om de geloofsgemeenschap en de voorganger die vanuit de gemeenschap de taak heeft namens God het volk bijeen te roepen. Het is dus liturgisch onjuist dat de dienstleider of iemand anders de priester of de bisschop uitnodigt om voor te gaan in de dienst. Pas na de begroeting van de priester kan de priester zelf of de diaken of een andere geschikte assistent in zeer korte bewoordingen de eucharistie van de dag inleiden. De priester kan één van de drie begroetingen gebruiken die in het officiële missaal staan. In Suriname zijn we bekend met de formule: De Heer zij met U en met Uw Geest. Soms hoor je wel eens het verwijt dat ‘en met uw geest’ niet te begrijpen valt. ‘En met uw geest’ is eigenlijk een uitdrukking die aan het Hebreeuws ontleend is (en ook met u), maar duidt ook op de Geest die de ambtsdragers bij hun wijding op bijzondere wijze ontvangen hebben.

Volgens een heel oude traditie, ooit uitgesproken op het concilie van Hippo van 393, wordt deze groet alleen met hen uitgewisseld. Het doet afbreuk aan deze traditie wanneer in diensten waarin leken voorgaan ook deze groet wordt gebruikt. In vieringen met veel dedelomsu’s kan het gebeuren dat de priester de mensen groet met: ‘De Heer zij met U’, maar niet teruggegroet wordt omdat men deze formule helemaal herkent als een groet. De dienst valt op dat moment dood omdat de dialoog die de band van eenheid moet scheppen niet op gang komt. Soms hoor je dat de priester na deze liturgische groet nog eens de mensen met de alledaagse formule groet: ‘goede morgen’. Dit is liturgisch niet juist. Als de gelovigen deze formule niet kennen dan moet dat door de liturgische catechese worden bijgebracht. Het is toch ook ondenkbaar dat de moslim zijn religieuze groet (salaam …) of de jood met zijn sjaloom deze zou inruilen voor ‘doei’ of ‘hallo’, waarom doen wij dat dan wel, nota bene in de eredienst? In de volgende editie gaan we nader in op de begroetingen in de dienst.

 

 

Communiqué van het CCK en de IRIS

Aangeboden aan de media op 18 juli 2010

Het voorspel tot de verkiezing van de voorzitter en de vice-voorzitter van de Nationale Assemblee en de verkiezing zelve, met het daarop volgende debat omtrent de wijze waarop de verkiezing heeft plaats gevonden, heeft in de samenleving grote beroering gebracht. Delen van de samenleving vinden een zeker genoegen in het spel dat gespeeld wordt, terwijl andere delen het totale gebeuren beschouwen als een moreel ethische neergang van ons volk dat steeds trots was op zijn harmonieuze en waardige wijze van omgaan met elkaar. Het volkslied is een afspiegeling van de waarden die wij als natie koesterden. Het CCK en de IRIS hebben in de aanloop naar de algemene, vrije en geheime verkiezingen van 25 mei 2010 door publicaties van bijzondere boodschappen, televisieprogramma’s over waarden en normen, en lezingen en discussieprogramma’s de samenleving handvaten gegeven om tot een verantwoord stemgedrag te komen. Met verbijstering moet echter worden vastgesteld dat de idealen die zo fundamenteel zijn voor elke samenleving van onwaarde zijn geworden waardoor er grote onzekerheid over de toekomst is ontstaan.
Het kiezersvolk van Suriname heeft de toekomst van ons land in eerste instantie in handen gelegd van 51 parlementariërs. Zij zullen naar eer en geweten, op basis van hun eed of belofte, een stem uitbrengen op een presidentskandidaat en een vice-presidentskandidaat die het waard moeten zijn leiders van het land te zijn.
Het CCK en de IRIS doen een dringend beroep op het kiescollege gewetensvol te stemmen.

Paramaribo, 16 juli 2010

Namens het Comité Christelijke Kerken
en de Interreligieuze Raad In Suriname

mgr. W. de Bekker, voorzitter CCK,
lid IRIS

 

 

Liturgische kalender
Maandag 26 juli
H.H. Joachim en Anna, ouders van de h. maagd Maria
Jer. 13, 1-11
Mt. 13, 31-35
Dinsdag 27 juli
Z. Titus Brandsma, priester en kerkleraar
Jer. 14, 17-22
Mt. 13, 36-43

Woensdag 28 juli
Jer. 15, 10-21
Mt. 13, 44-46

Donderdag 29 juli
H. Marta
Jer. 18, 1-6
Lc. 10, 38-42

Vrijdag 30 juli
Jer. 26, 1-9
Mt. 13, 54-58

Zaterdag 31 juli
H. Ignatius van Loyola, priester
Jer. 26, 11-16 + 24
Mt. 14, 1-12

Zondag 01 augustus
Pred. 1, 2 + 2, 21-23
Kol. 3, 1-5 + 9-11
Lc. 12, 13-21 (C)

 

Wij lezen op de zondag
Lezing
Uit het boek Genesis 18, 20-32


Daarom zei de HEER: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde! Ik ga naar beneden om te zien of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.’ Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. De HEER bleef echter nog bij Abraham staan. Abraham ging naar Hem toe en zei: `Wilt U werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult U die dan verdelgen? Zult U de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt U toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt U toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?’ En de HEER zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal Ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.’ Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben? Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult U dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?’ En de HEER zei: `Ik zal haar niet verwoesten als Ik er vijfenveertig vind.’ Opnieuw sprak Abraham tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.’ En de HEER zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.’ Nu zei Abraham: `Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog eens aandring; misschien zijn er maar dertig te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal het niet doen als Ik er dertig vind.’ Abraham zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.’ Abraham zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden als ik nog één keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.’ En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.’

Lezing
Uit de eerste brief aan Kolossenzen 2, 12-14


In de doop bent u met Hem begraven, maar ook met Hem verrezen, door uw geloof in de kracht van God, die Hem uit de doden liet opstaan. Ook u, die dood was door uw overtredingen en als onbesnedenen leefde, heeft God weer levend gemaakt met Hem. Hij heeft ons al onze overtredingen vergeven. Hij heeft de oorkonde met al haar bepalingen, die in ons nadeel was en tegen ons getuigde, verscheurd. Hij heeft haar uit ons midden weggenomen en aan het kruis genageld.


Lezing
Uit het evangelie volgens Lucas 11, 1-13 (C)


Eens was Hij ergens aan het bidden. Toen Hij opgehouden was, vroeg een van zijn leerlingen Hem: `Heer, leer ons bidden, zoals ook Johannes het zijn leerlingen geleerd heeft.’ Hij zei tegen hen: `Wanneer je bidt, zeg dan:

Vader,
uw naam worde geheiligd,
uw koninkrijk kome;
geef ons elke dag het nodige brood
en vergeef ons onze zonden,
want ook wij vergeven ieder die ons iets schuldig is,
en breng ons niet in beproeving.’
Daarop zei Hij tegen hen: ‘Stel dat je midden in de nacht naar een van je vrienden gaat om te vragen: “Vriend, leen me drie broden, want een vriend van me is na een lange reis bij mij aangekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.” Zou die ander daarbinnen antwoorden: ‘Val me niet lastig. De deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen in bed. Ik kan niet opstaan om ze je te geven’’? Welnee, hij staat op en geeft je wat je nodig hebt; is het niet omdat je zijn vriend bent, dan toch vanwege je vrijpostigheid. Ik zeg jullie: vraag en jullie zal gegeven worden, zoek en je zult vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. Want ieder die vraagt, krijgt; wie zoekt, vindt; en voor wie klopt, zal worden opengedaan. Welke vader onder jullie zal zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven? Of een schorpioen, als het om een ei vraagt? Als jullie dus, slecht als je bent, het goede weten te geven aan je kinderen, hoeveel te meer zal dan de hemelse Vader de heilige Geest geven aan degenen die Hem erom vragen.’

 

God wacht: wij moeten vragen & Hij zal geven
In de joodse traditie is bidden een krachtige manier van omgaan met God. God wordt serieus genomen, herinnerd aan zijn of haar beloften. God is degene die als partner en soms als tegenspeler kan worden aangesproken. Mensen hoeven zich niet voor God te vernederen door door het stof te kruipen uit pure nederigheid. Met God mag je op een volwassen mondige manier omgaan.

Het gebed van Abraham om de redding van Sodom is een typisch joods gebed. Men zou hier zelfs kunnen spreken van onderhandelen met God. Abraham lijkt een hande-laar die het hoogste resultaat wil bereiken. Je zag het vroeger op de markt wanneer twee mensen aan het handelen waren, met handgeklap, weglopen, terugkomen, bieden en tegenbieden. Het onderhandelen van Abraham heeft alles te maken met de zorg van Abraham voor zijn familie in Sodom, met wie hij solidair is. Hij heeft er veel voor over om in zijn onderhandeling met God het onderste uit de kan te halen. Hij gaat terug tot tien rechtvaardigen. Tien is het voorgeschreven aantal mannen dat een joodse eredienst mogelijk maakt. Sommigen zeggen hierbij dat het jammer is dat hij niet nog verder teruggegaan is, bijvoorbeeld tot vijf. Dus hij heeft niet alles op het spel gezet. Maar hij gaat heel ver, meer dan mensen normaal zouden doen in hun gebed.

‘Vraag, en ge zult verkrijgen’, zegt Jezus tegen zijn leerlingen. Ook hier wordt een pleidooi gehouden voor een volgehouden manier van bidden. En daarbij klinkt in de woorden over de vader die zijn zoon geen steen zal geven in plaats van brood, en geen slang in plaats van de vis waarom gevraagd wordt, iets door van de overtuiging dat God volstrekt serieus te nemen is. We hebben niet te doen met een zuinige oplichter die mensen met een kluitje in het riet stuurt. Je mag daarom eigenwijs en onbescheiden aandringen om iets goeds te mogen ontvangen.

Als model van gebed leert Jezus zijn leerlingen het Onze Vader. Lucas geeft een kortere versie dan Matteüs. Maar de strekking blijft gelijk: we bidden dat het rijk van God zichtbaar mag worden in onze wereld, en dat de hoop op gerechtigheid mogen ervaren en beleven, en dat gedaan zal worden wat iedere mens recht doet. Daarna bidden we voor onszelf, voor de meest noodzakelijke dingen van elke dag: brood om te leven, vergeving van schulden en dat wij bewaard mogen worden voor het kwaad.
We kunnen die gebeden geestelijk op-vatten, vooral waar het over schulden gaat. Dan bidden we dat we bevrijd mogen worden van de innerlijke schuld die we oplopen door kwade gedachten en haatgevoelens. Met Lucas zouden we het ook materieel en politiek kunnen opvatten: de armen bidden dat zij bevrijd worden van de ondraaglijke schuldenlast, een last die drukt op de schouders van veel ontwikkelingslanden. En wij bidden dat wij vanuit het rijke Westen in staat mogen zijn schulden weg te nemen. We zouden zelfs kunnen bidden dat wij innerlijk vrij mogen worden van de schuld die wij meedragen door onze manier van uitbuiten van de armen in onze wereld. Wij worden vrij van schuld door de ander de schulden kwijt te schelden. Door zo te bidden lopen we nogal wat risico’s.

Paulus ziet de vergeving van schulden als een nieuw begin van leven. We gaan van de dood naar het leven doordat Jezus zich onze schuld heeft aangetrokken en zich solidair heeft getoond. Wie zich laat dopen en zich verenigt met de weg die Jezus is gegaan, zal zelf gaan werken aan vergeving en bevrijding.